epigrafie Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/category/epigrafie/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 24 May 2026 08:20:44 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0.3 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png epigrafie Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/category/epigrafie/ 32 32 136391722 Anti-Galatische propaganda: vijandbeeld en machtspolitiek in de Griekse wereld https://www.oudegeschiedenis.be/24/05/2026/anti-galatische-propaganda-vijandbeeld-en-machtspolitiek-in-de-griekse-wereld/ https://www.oudegeschiedenis.be/24/05/2026/anti-galatische-propaganda-vijandbeeld-en-machtspolitiek-in-de-griekse-wereld/#respond Sun, 24 May 2026 08:20:44 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2817 een tempelfries uit Civitalba (momenteel in het Museo Archeologico Nazionale delle Marche) die vluchtende Kelten - met de typische halsringen en schilden - afbeeldt die in paniek vluchten, niet alleen verwijzend naar hun nederlaag tegen Rome (295 v.C.) maar vermoedelijk ook naar de mislukte plundering van de tempel van Apollo in Delphi (279 v.C.) onder leiding van Brennus

Rond 280 v.C. werd de Griekse wereld opgeschrikt door de invasie van de Galaten, een gebeurtenis die niet alleen militair maar ook ideologisch diepe sporen naliet. In dit eerste artikel van een tweedelige reeks staat de vraag centraal hoe deze Keltische groep in de Griekse perceptie werd voorgesteld en hoe het beeld van de "barbaarse" vijand vorm kreeg. Vooral de Aetoliërs slaagden erin om dit anti-Galatische discours naar hun hand te zetten en in te zetten als krachtig propagandamiddel die hun politieke positie en legitimiteit versterkte.a

Het bericht Anti-Galatische propaganda: vijandbeeld en machtspolitiek in de Griekse wereld van Oivier Goossens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
een tempelfries uit Civitalba (momenteel in het Museo Archeologico Nazionale delle Marche) die vluchtende Kelten - met de typische halsringen en schilden - afbeeldt die in paniek vluchten, niet alleen verwijzend naar hun nederlaag tegen Rome (295 v.C.) maar vermoedelijk ook naar de mislukte plundering van de tempel van Apollo in Delphi (279 v.C.) onder leiding van Brennus

Rond 280 v.C. heerste er chaos in Griekenland en Macedonië. De recente oorlog tussen de diadochen Seleucus en Lysimachus had zijn tol geëist, en een sterk centraal gezag was ver zoek. Hierdoor werden de Griekse stadstaten en het Macedonische thuisland kwetsbaar. Deze situatie bood een uitgelezen kans voor een bevolkingsgroep die aan de noordelijke grens opdoemde: de Galaten. Aangetrokken door de rijkdommen van de Helleense wereld, vielen deze Kelten vanuit de Balkan Griekenland en Macedonië massaal binnen en zaaiden ze dood en verderf. Deze existentiële dreiging leidde tot een zeldzaam verschijnsel in de antieke wereld: panhelleense samenwerking. Verscheidene leden van het bondgenootschap leverden een grote inspanning om deze “barbaren” te verdrijven, maar het waren vooral de Aetoliërs die te koop liepen met hun rol in de overwinning. Voor hen had deze zege immers grote propagandistische waarde.

Dit artikel vormt het eerste deel van een tweedelige reeks over de negatieve voorstelling van de Galaten in de Hellenistische wereld. In dit deel richten we ons op de specifieke inhoud van het anti-Galatische discours in de Griekse wereld en de Aetolische toepassing van deze propaganda. In het volgende deel verleggen we onze blik naar de grote Hellenistische koninkrijken.

Historische achtergrond

De Galaten waren een Keltische bevolkingsgroep die Galatisch sprak, een taal die nauw verwant was aan het Gallisch. Ze leefden zoals de overige Kelten in stamverband met telkens een stamhoofd aan het roer. De term “Galaat” is terug te voeren op het Oudgriekse woord voor “Galliër”. Vandaag wordt in de wetenschappelijke literatuur onderscheid gemaakt tussen de termen “Galliër” en “Galaat”. De Galliërs waren de continentale Kelten die in West-Europa bleven, terwijl de term “Galaten” verwijst naar de Kelten die sinds de 5de eeuw v.C. naar de Balkan migreerden. Tegen de vroege 3de eeuw v.C. bevonden deze stammen zich aan de grens van de Griekse wereld.

Over hun vroege geschiedenis is weinig met zekerheid geweten; hun verleden wordt voornamelijk gereconstrueerd op basis van Griekse bronnen die echter bevooroordeeld waren. De Grieken zagen immers de Galaten als het archetype van de barbaar. Recent archeologisch en historisch onderzoek heeft gelukkig enige nuance gebracht in dit eenzijdige beeld. In tegenstelling tot het stereotype van de Keltische volkeren als een zootje ongeregeld, hadden zij juist een complexe en efficiënte sociale en militaire organisatie waarbij de stammen goed samenwerkten.

De route van de Galaten

Nadat de Galaten de Helleense wereld waren binnengevallen, splitste hun leger zich op in grofweg drie colonnes. Eén deel settelde zich in Thracië (Polybius 4.45-46), een andere colonne van zo’n 20 000 krijgers stak de Hellespont over op uitnodiging van Nicomedes I, koning van Bithynië (Livius 38.15.). Hij zette de Kelten in als huurlingen tijdens de burgeroorlog tegen zijn broer, Zipoetes II, in ruil voor woongebied in Noord-Frygië. Deze groep heeft de antieke wereld diepgaand beïnvloed en zal in het tweede deel van deze artikelreeks in de belangstelling komen te staan. Tot slot was er een derde colonne onder leiding van Brennus. Brennus behoorde volgens Strabo (4.1.13) mogelijk tot de stam van de Prausi waarover voor de rest weinig geweten is. Hun eerste doelwit was Paeonië in 280 v.C., een gebied ten noorden van Macedonië. Na deze expeditie wist Brennus zijn krijgers te overtuigen om zich in 279 v.C. te wagen aan een meer uitdagend doelwit: de Griekse stadstaten waar hen mythische rijkdommen zouden opwachten.

De Ketische invasie in Griekenland

De Thermopylae vandaag de dag

Pausanias (10.19-23) wil ons doen geloven dat Brennus’ strijdkracht wel zo’n 152 000 infanteristen en 24 000 ruiters telde. Hoewel deze aantallen waarschijnlijk overdreven zijn, moet het totale aantal Kelten enorm zijn geweest. De bedreiging was in elk geval groot genoeg om de eeuwig kibbelende Griekse stadstaten in elkaars armen te drijven. De panhelleense tactiek moet bekend in de oren klinken voor wie vertrouwd is met de Griekse geschiedenis: de Kelten een halt toeroepen bij de Thermopylae. De eerste Keltische aanval tegen de verdedigers in de befaamde bergpas liep uit op een jammerlijke mislukking en Brennus blies de chamade.

Daarop besloot de Keltische leider het over een andere boeg te gooien. Hij liet een detachement tegen Aetolië uitrukken om de talrijke Aetolische troepen weg te lokken van bij de Griekse hoofdmacht in de Thermopylae. De list werkte, maar tegen een hoge prijs: veel Galaten sneuvelden tijdens deze expeditie. Ondertussen wist Brennus de vijand bij de Thermopylae te omsingelen dankzij de ontdekking van een pad dat om de Griekse linie heen leidde. Hierna volgde echter geen heldhaftig gevecht tot de laatste man zoals Leonidas en zijn ‘driehonderd’ dat destijds hadden gedaan. De Griekse troepen konden op tijd geëvacueerd worden dankzij de Atheense vloot die voor de kust voor anker lag.

Brennus koos vervolgens Delphi uit als nieuw doelwit. Volgens de overlevering werd deze aanval afgeslagen met de hulp van de goden die de Kelten teisterden met onder andere stormen en aardbevingen. Daarnaast droegen de Aetoliërs hun steentje bij door hun guerrillaoorlogvoering waarbij ze de Kelten onophoudelijk bestookten in het ruige terrein van Aetolië. Na een verpletterende nederlaag tegen de Phociërs besloten de Galaten zich halsoverkop terug te trekken. Tijdens de terugtocht bleven de Aetoliërs hen bestoken en uiteindelijk pleegde Brennus zelfmoord uit schaamte. De Keltische dreiging was geweken.

De oorsprong van het anti-Galatische discours

De relatie tussen de Galaten en de Helleense wereld werd dus al vanaf het begin gekenmerkt door conflict. Koning Nicomedes I bood evenwel als eerste een alternatief voor deze gewelddadige omgang met de Keltische stammen: samenwerking. In ruil voor militaire hulp kregen de Galaten land en geld. Dit beleid zouden vervolgens nagenoeg al de Hellenistische heersers in Klein-Azië voeren. Ondanks deze gunstige wederkerige relatie bleven de Grieken de Galaat omschrijven als de barbaar par excellence.

De Galatische levensstijl beantwoordde inderdaad op sommige gebieden aan de Griekse verwachtingen van een barbaar. In hun ogen ging het om loutere nomaden met een woest en vreemd voorkomen, die geen schrift kenden, laat staan geschreven wetten — een van de fundamenten van een beschaafde samenleving volgens de Grieken. Na hun vestiging in Noord-Frygië begonnen de Galaten zich steeds meer te conformeren aan de Griekse verwachtingen van een beschaafde mens. Desondanks zetten de Hellenistische vorsten deze traditie van negatieve voorstellingen voort. Waarom? Het antwoord ligt deels in het propagandistische nut van dergelijke beelden. Hoe woester en gevaarlijker de vijand, des te nobeler en sterker de overwinnaar lijkt. Dit narratief kon aldus bijdragen aan de legitimatie van het Hellenistische koningschap.

De Galaten in Griekse ogen

Al tijdens de grote invasie van 280/279 v.C. werden de Galaten gezien als een levensbedreiging voor de Helleense wereld. Hiervan getuigen enkele inscripties uit de jaren 270 v.C. (o.a. een uit Priëne die de beschermer van de stad roemt [TM 862714] en een dedicatie van een vader uit Thyateira aan Apollo om zijn zoon te redden van de Galaten [TM 838622]). Men kan de Grieken zeker niet beschuldigen van overdrijving. Bij gebrek aan een sterk centraal gezag waren de stadstaten inderdaad kwetsbaar. De poleis ontsnapten zelfs op het nippertje aan een smadelijke nederlaag bij de Thermopylae (zoals beschreven hierboven). Het was mede dankzij de tussenkomst van de goden – volgens de Grieken zelf althans – en onder andere de Aetoliërs dat de ondergang vermeden kon worden (zie Justinus 24.7.6, 24.8.3-7).

De idee van goddelijke interventie raakte al vroeg in zwang. Volgens een decreet uit Kos van 278 v.C. [TM 929025] was Apollo verantwoordelijk voor de triomf, terwijl een inscriptie van Smyrna uit hetzelfde jaar [TM 814632] de overwinning toeschrijft aan meerdere goden. Ondanks de uiteindelijke zege lieten de Galaten toch een trauma achter in het Griekse collectieve geheugen, een trauma dat de bekende Griekse historicus Angelos Chaniotis (in zijn Age of Conquests) zelfs vergelijkt met de shock van 9/11 in de westerse wereld. De Keltische invasie was zo ernstig dat een vergelijking met de Perzische invasies voor de Grieken zeker gerechtvaardigd was. Volgens Pausanias stond ditmaal niet enkel de vrijheid op het spel, maar zelfs het voortbestaan van de Griekse wereld:

ἑώρων δὲ τὸν ἐν τῷ παρόντι ἀγῶνα οὐχ ὑπὲρ ἐλευθερίας γενησόμενον, καθὰ ἐπὶ τοῦ Μήδου ποτέ, οὐδὲ δοῦσιν ὕδωρ καὶ γῆν τὰ ἀπὸ τούτου σφίσιν ἄδειαν φέροντα … ὡς οὖν ἀπολωλέναι δέον ἢ δ᾽ οὖν ἐπικρατεστέρους εἶναι, κατ᾽ ἄνδρα τε ἰδίᾳ καὶ αἱ πόλεις διέκειντο ἐν κοινῷ.

Ze realiseerden zich dat de strijd die hen te wachten stond er niet een voor vrijheid zou zijn, zoals toen ze tegen de Perzen vochten, en dat water en aarde aanbieden hen geen veiligheid zou brengen…  Dus was elke man en elke stadstaat ervan overtuigd dat ze oftewel moesten overwinnen, oftewel ten onder gaan.” (Paus. 10.19.12)

De vergelijking moet haast vanzelfsprekend zijn geweest, niet in het minst omdat de Thermopylae wederom een centraal strijdperk werden. Verder vond Pausanias de schilden van beide volkeren opvallend gelijkend en zag hij parallellen tussen de Galatische cavalerie en de Onsterfelijken, de vermaarde Perzische elitekrijgsmacht. (Pausanias 10.19.4)

De Aetoliërs maakten handig gebruik van deze associatie. Zo plaatsten ze de buitgemaakte Galatische wapenuitrustingen naast die van de Perzen in de tempel van Apollo in Delphi. Dit was een berekende propagandistische truc: dit heiligdom was een van de belangrijkste religieuze centra in de Griekse wereld, waar om de vier jaar vertegenwoordigers van de meeste stadstaten samenkwamen om deel te nemen aan de Pythische Spelen. Bijgevolg konden de Aetoliërs handig hun cruciale rol in de overwinning aan de gehele Helleense wereld meedelen en in herinnering houden.

Tetradrachme van de Aetolische Bond met op de keerzijde (rechts) Aitolos, de personificatie van de Bond, gezeten op typische Galatische schilden, c. 239-229 v.C.

Ze gingen in Delphi hun rol ook op andere manieren in de verf zetten. Zo was er een standbeeld van de personificatie van Aetolië die gezeten was boven een stapel van Keltische wapenuitrustingen. Dit standbeeld kwam ook voor op de munten van de Aetolische Bond. Daarnaast was er de Portico van de Aetoliërs, een van de grootste bouwwerken te Delphi, waar een inscriptie de schenking van Keltische wapenuitrustingen herdacht. De boodschap was helder: net zoals de Atheners destijds bij Marathon en Salamis de Griekse beschaving tegen barbarij hadden beschermd, zo hadden de Aetoliërs eenzelfde dienst bewezen aan de Helleense wereld en dit verdiende respect en erkenning.

De Aetoliërs lijken zich haast uit te roepen tot de nieuwe beschermers van Griekenland en de leidersrol van Athene op te eisen. Ze hervormden zelfs rond 246 v.C. het jaarlijkse Soteria-festival in Delphi ter ere van Zeus tot een vijfjaarlijks, maar grootser gebeuren dat meer in het teken van de Aetoliërs en hun militaire heldendaden stond (zie SIG3 402 [TM 815238]). Opvallend is hoe ze zelfs de rol van de goden begonnen te minimaliseren om de aandacht meer naar zich toe te trekken. Dit alles negeerde natuurlijk volledig de bijdrage van de Griekse stadstaten, maar dat interesseerde hen niet. Er stond immers veel op het spel.

De geopolitieke voordelen van de Galatische overwinning

Na de Galatische episode traden steeds meer leden van de Aetolische Bond toe tot de Amphictionie van Delphi, een zeer oude religieuze vereniging die instond voor de veiligheid van Delphi. Diens leden hadden het recht om stadstaten te straffen die het heiligdom schonden. Deze straf nam soms de vorm aan van een “heilige oorlog” waarbij de leden militair samenwerkten tegen de agressor.

Tegen het einde van de jaren 250 v.C. had de Aetolische Bond al negen stemmen – van de 24 – in de raad van de Amphictionie. Dankbaarheid kan een rol hebben gespeeld bij de geleidelijke toelating van de Aetoliërs, maar politieke druk moet de doorslaggevende factor zijn geweest. De Aetolische Bond groeide namelijk in de 3de eeuw v.C. uit tot de grootmacht van Centraal- en West-Griekenland. Ze begonnen zich zelfs te moeien met Egeïsche en Peloponnesische aangelegenheden. Mettertijd versterkte dus ook hun greep op Delphi, dat in de naburige regio Phocis lag. De anti-Galatische propaganda kon deze controle over het heiligdom, evenals hun positie in Griekenland, handig legitimeren.

Inscriptie op de Portico van de Aetoliërs in Delphi die de buitmaking van de Galatische schilden commemoreert

De ideologische voordelen van de Galatische overwinning

De inzet van de Aetolische propaganda ging echter verder dan loutere zelfverheerlijking en legitimatie van hun geopolitieke situatie. Wanneer we de culturele context rond de Aetoliërs erbij betrekken, wordt meteen duidelijker waarom ze zo sterk de nadruk legden op deze overwinning. Het lidmaatschap van de Aetoliërs tot de Helleense beschaving werd namelijk voortdurend in twijfel getrokken. Ze waren volgens de andere stadstaten minder Grieks of zelfs simpelweg barbaren. Zo waren ze niet in polis-verband georganiseerd, maar bestonden ze uit stammen (θνη) die in dorpjes samenleefden.

Bovendien waren ze dikwijls actief als piraten die de zeeën rond Griekenland onveilig maakten. Deze slechte reputatie was volgens de Britse historicus John Grainger (in zijn The League of the Aitolians) al goed gevestigd vooraleer ze zich gingen organiseren in een confederatie in de 4de eeuw v.C. Het feit dat ze een moeilijk verstaanbaar dialect spraken, pleitte ook al niet in hun voordeel. Deze neerbuigende houding vanwege de andere Grieken namen ze allerminst in dank af en ze grepen deze kans om hun “Grieksheid” in het gezicht te duwen van de sceptici. Griekenland had immers haar voortbestaan uitgerekend aan hen te danken.

Vanuit deze optiek kon de toetreding tot de Amphictionie van Delphi hebben gediend als een formalisatie van deze claim. Deze religieuze vereniging kwam samen bij het orakel van Delphi, een van de belangrijkste heiligdommen in de Griekse wereld. Voor de Grieken was hun gedeelde religie een van de belangrijkste expressies van hun culturele eigenheid. Toetreding tot een dergelijke organisatie was daarom een onweerlegbaar bewijs van Griekse identiteit.

Hierbij moet trouwens de Macedonische vorst Philippus II (r. 359-336 v.C.) als model hebben gediend voor de Aetoliërs. Net zoals in het geval van deze West-Grieken was de “Grieksheid” van de Macedoniërs omstreden, en net zoals in het geval van de Aetoliërs was Philippus’ toetreding tot deze Amphictionie een poging om Macedonië op de kaart te zetten als Griekse mogendheid. Net zoals de latere Macedonische overwinning onder leiding van Alexander de Grote (r. 336-323 v.C.) op de Perzische koning Darius III (r. 336–330 v.C.) diende, diende de overwinning op de Galaten om deze claim te bevestigen.

Centraal-Griekenland met Aetolië ten zuiden van Epirus en Thessalië, geklemd tussen Acarnania en Phocis (waar Delphi gelegen is)

Conclusie

De Aetoliërs claimden een centrale rol te hebben gespeeld bij de verdrijving van de Galaten. De invasie van deze Keltische stammen was een ingrijpende gebeurtenis in de 3de eeuw v.C., die een trauma in de Griekse wereld naliet. In hun ogen stond niets minder dan de beschaving op het spel. De bijdrage van de Aetoliërs aan de overwinning kwam deze West-Grieken goed van pas: de politieke invloed van de Aetolische Bond nam in deze periode toe, en het werd tijd om erkenning en respect af te dwingen bij de overige Grieken. Dit was echter geen vanzelfsprekendheid, aangezien de Aetoliërs in het verleden vaak werden bestempeld als barbaren of half-Grieken. Zij wilden eindelijk worden geaccepteerd als volwaardige leden van de Griekse wereld. De overwinning op de Galaten legitimeerde zowel hun aanspraak op deze culturele identiteit als hun stevige greep op Delphi zelf.

De voordelen die dit anti-Galatische narratief bood, gingen niet onopgemerkt voorbij aan andere spelers binnen de Hellenistische wereld. Rond dezelfde periode moesten ook de Hellenistische vorsten aan beide zijden van de Hellespont afrekenen met Galatische invallen. Zij kampten met vergelijkbare legitimiteits- en identiteitsproblemen als de Aetoliërs. Bijgevolg bood de overwinning op deze “barbaren” vergelijkbare ideologische voordelen. Toch zijn er binnen deze propaganda enkele verdere nuances te ontwaren, maar dat is stof voor het volgende deel.

Lees meer

Grainger, J. D., The League of the Aitolians. 1999, Leiden.

Larsen, J., Greek Federal States: Their Institutions and History, 1968, Oxford.

Mitchell, S., Anatolia. Land, Men, and Gods in Asia Minor I. The Celts and the Impact of Roman Rule, 1993, Oxford.

Scholten, J., The Politics of Plunder: Aitolians and their Koinon in the Early Hellenistic Era, 279 – 217 B.C., 2000, Berkeley.

Coverfoto: adaptatie van de afbeelding ‘Marken019AnconaMusArcheo’, afkomstig van een tempelfries uit Civitalba (momenteel in het Museo Archeologico Nazionale delle Marche) die vluchtende Kelten – met de typische halsringen en schilden – afbeeldt die in paniek vluchten, niet alleen verwijzend naar hun nederlaag tegen Rome (295 v.C.) maar vermoedelijk ook naar de mislukte plundering van de tempel van Apollo in Delphi (279 v.C.) onder leiding van Brennus, vanop Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

Het bericht Anti-Galatische propaganda: vijandbeeld en machtspolitiek in de Griekse wereld van Oivier Goossens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/24/05/2026/anti-galatische-propaganda-vijandbeeld-en-machtspolitiek-in-de-griekse-wereld/feed/ 0 2817
ἐν שלום ἡ κοίμησις: identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties https://www.oudegeschiedenis.be/30/11/2025/%e1%bc%90%ce%bd-%d7%a9%d7%9c%d7%95%d7%9d-%e1%bc%a1-%ce%ba%ce%bf%ce%af%ce%bc%ce%b7%cf%83%ce%b9%cf%82-identiteitsbeleving-op-basis-van-griekse-tweetalige-grafinscripties/ https://www.oudegeschiedenis.be/30/11/2025/%e1%bc%90%ce%bd-%d7%a9%d7%9c%d7%95%d7%9d-%e1%bc%a1-%ce%ba%ce%bf%ce%af%ce%bc%ce%b7%cf%83%ce%b9%cf%82-identiteitsbeleving-op-basis-van-griekse-tweetalige-grafinscripties/#respond Sun, 30 Nov 2025 21:09:55 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2747 Een drietalig grafschrift (Latijn-Grieks-Hebreeuws) uit Tortosa, Spanje, 6de-7de eeuw n.C. Interessant detail is de gravering van een menora en een Davidster [TM 233098]

Meertaligheid toont de verbondenheid met twee of meer culturen en in de Klassieke Oudheid was dit niet anders. In dit artikel wordt een kwantitatieve masterproef over identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties gebruikt om dit te onderzoeken voor de Hellenistische en Romeinse periode.

Het bericht ἐν שלום ἡ κοίμησις: identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties van Nathan Van Hoof Hoefnagels verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Een drietalig grafschrift (Latijn-Grieks-Hebreeuws) uit Tortosa, Spanje, 6de-7de eeuw n.C. Interessant detail is de gravering van een menora en een Davidster [TM 233098]

Taal is meer dan een communicatiemiddel; het is een symbool van culturele eigenheid. In een land als België, en een regio als Vlaanderen, behoeft dit geen verdere uitleg. Ook tweetaligheid is, en was, een identitair kenmerk. Meertaligheid toont namelijk de verbondenheid met twee of meer culturen en in de Klassieke Oudheid was dit niet anders. Er zijn echter geen mondelinge getuigenissen uit die periode, waardoor we ons moeten richten op geschreven bronnen. Grafschriften vormen de ideale bronnen om hier meer over te weten, aangezien ze bij uitstek de identiteit van de overledenen uitdrukten. Het was immers datgene waarmee zij herinnerd zouden worden.

Leemte in het onderzoek

De voorbije decennia is het onderzoek naar antieke tweetalige grafinscripties nogal beperkt van aard gebleken. Binnen het onderzoeksveld heeft men zich voornamelijk op de Latijnse tweetaligheid gefocust. Om deze reden heb ik in het academiejaar 2023-2024 in mijn masterproef onderzoek gedaan naar de Griekse, niet-Latijnse tweetalige grafschriften.[1] Ik heb meer bepaald onderzocht op welke manier taal, tekst en onomastiek de identiteitsbeleving van de overledenen bepaalden. Ik heb onder meer gekeken naar posities van de talen op de grafschriften, alsook hun lengte en inhoud om zo meer te weten te komen over de identiteit van de overledenen. Daarnaast heb ik ook de etymologie van de eigennamen onderzocht. Zo wordt er antwoord geboden op een vraag als “Hadden de overledenen voornamelijk Griekse namen of niet?”. Dit vertelt ons meer over de identiteitsbeleving van de overledenen.

Van Palmyra tot Egypte

De antieke grafinscripties die hier in de schijnwerpers zullen staan zijn voornamelijk afkomstig uit het Griekstalige oosten. Het grootste deel hiervan zijn Grieks-Palmyreens, uit de bekende Syrische karavaanstad Palmyra. Zij worden kwantitatief op de voet gevolgd door de Grieks-Hebreeuwse grafschriften. Zij komen zowel uit het antieke Judea als uit de Joodse catacomben van Rome en Italië. Daarna volgen de Grieks-Frygische epitafen, afkomstig uit Centraal-Anatolië. De Grieks-Koptische en Grieks-Demotische grafschriften sluiten de top 5 af, allebei uit Egypte, zij het geschreven in een ander stadium van de Egyptische taal. We spreken hier over 305 grafinscripties in totaal. Er zijn nog tal van andere Griekse, niet-Latijnse tweetalige grafschriften, maar hun aantallen zijn te klein en ze zijn te slecht gedocumenteerd om er betekenisvol onderzoek naar te doen. Chronologisch zijn de 305 tweetalige grafinscripties voornamelijk te situeren in de 3de eeuw v.C. en in de 2de eeuw n.C.

Schijfdiagram van het aantal Griekse tweetalige grafinscripties, opgedeeld per taal

Grieks boven!

De keuze van welke taal eerst kwam, alsook de lengte van de teksten en de inhoud ervan bepalen welke identiteit de overledenen of hun nabestaanden wilden uitdrukken via de grafschriften. Daarom heb ik de relatieve positie van de teksten/talen, de lengte en inhoud van elke tekst onderzocht, per grafschrift.

Ik heb een eigen databank gemaakt op basis van de Trismegistos-database, waarin ik voor elk grafschrift drie dingen heb vastgelegd: de positie van de tekst, hoe lang de tekst is, en wat erin staat. De gegevens zijn per taal gegroepeerd. Om het overzicht te bewaren is alles in tabellen gegoten.[2]

[1. Positie – Grieks met:]

Grieks Boven Grieks Onder Naast Elkaar Grieks

Midden

Andere Taal Midden Onbepaald
Palmyreens 80,6% 11,1% 8,3% 0,0% 0,0% 0,0%
Hebreeuws 52,2% 23,2% 5,8% 2,9% 2,9% 13,0%
Frygisch 81,8% 7,6% 1,5% 0,0% 9,1% 0,0%
Koptisch 47,5% 22,0% 5,1% 10,2% 8,5% 3,4%
Demotisch 15,4% 43,6% 7,7% 5,1% 0,0% 28,2%
Totaal % 59,7% 20,0% 6,2% 3,3% 4,3% 7,2%

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 20.

Bovenstaande tabel toont aan dat in een meerderheid van de gevallen het Grieks boven de andere taal staat geschreven op een grafschrift. De Grieks-Demotische grafschriften vormen de uitzondering die de regel bevestigen. Dit lijkt er dus op te wijzen dat het Grieks een belangrijkere status aannam dan de lokale taal. Er zijn wel onderlinge verschillen op te merken: zo staat het Grieks zéér vaak bovenaan een Grieks-Frygische inscriptie, maar is dat bij de Grieks-Koptische grafinscripties veel minder het geval. Soms is het echter niet duidelijk wat de positie van de talen juist is, vandaar de laatste kolom genaamd “Onbepaald”. Dit heeft bijvoorbeeld te maken met de slechte staat van de inscriptie of een onduidelijke teksteditie, waarbij de positie van de teksten niet wordt aangegeven.

Alle talen zijn gelijk, maar sommige…

[2. Hoeveelheid – Grieks met:]

Evenveel lijnen Grieks > Andere taal Grieks < Andere taal Onbepaald
Palmyreens 48,6% 25,0% 12,5% 13,9%
Hebreeuws 24,6% 56,5% 14,5% 4,3%
Frygisch 33,3% 34,8% 12,1% 19,7%
Koptisch 28,8% 23,7% 42,4% 5,1%
Demotisch 18% 7,7% 51,3% 23,1%
Totaal % 32,1% 31,8% 23,9% 12,1%

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 21

Ongeveer 1/3de van de grafschriften in de tabel combineert evenveel Grieks met een andere taal, bijna evenveel grafschriften bevatten meer Grieks. Minder dan een kwart van de grafinscripties bevat meer niet-Griekse tekst dan Griekse tekst. Opnieuw zijn het de Grieks-Demotische en in dit geval ook de Grieks-Koptische grafschriften die hier de uitzondering vormen op de rest. Vanwege de slechte staat van sommige grafinscripties, of omwille van andere redenen, is het in 12% van de gevallen niet duidelijk welke taal nu dominant is.

Wat wordt er precies gezegd?

[3. Inhoud – Taal:]

ID in Grieks ID in andere taal Religieuze inhoud in Grieks[3] Religieuze inhoud in and. taal[4] Spreuk in Grieks Spreuk in and. taal
Gr.-Palmyr. 95,8% 97,2% 0,0% 0,0% 5,6% 11,1%
Gr.-Hebr. 95,7% 56,5% 0,0% 0,0% 7,2% 42,0%
Gr.-Fryg. 97,0% 1,5% 4,6% 0,0% 12,1% 100,0%
Gr.-Kopt. 11,9% 66,1% 22,0% 23,7% 66,1% 10,2%
Gr.-Demot. 89,7% 64,1% 0,0% 43,6% 2,6% 10,3%
Tot. 241 174 16 31 57 113

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 22

Dankzij de tabel hierboven kunnen we ook zien dat de Griekse taal vaak de overledene identificeert. Dat is in de niet-Griekse talen toch minder het geval. Deze talen worden eerder gebruikt om bepaalde (funeraire) spreuken, formules of religieuze inhoud over te brengen. De Grieks-Koptische grafschriften vormen hierop een uitzondering. De percentages overlappen hier omdat een tekst uiteraard meerdere inhoudelijke zaken kan bevatten.

Op basis van deze drie factoren kunnen we stellen dat de Griekse taal toch een zekere overmacht had op tweetalige grafschriften ten opzichte van de lokale talen. Al zijn er hier en daar uitzonderingen, voornamelijk terug te vinden op de Egyptische grafschriften.

Beroepstrots tot in de kist

Een tweetalige Grieks-Palmyreens funerair reliëf van Marcus (een kolonist uit Berytos)

James Noel Adams toont aan in zijn Bilingualism and the Latin Language dat in Latijnse tweetalige grafschriften de beroepsidentiteit van de overledene wordt benadrukt door middel van de taal. Hetzelfde is terug te vinden bij de Griekse tegenhangers. Zo is er een hiërogliefensnijder genaamd Besas die, naast Grieks, ook hiërogliefen op zijn grafschrift heeft staan [TM 52806]. Ongetwijfeld heeft Besas deze hiërogliefen er op laten zetten omwille van zijn beroep.

Het omgekeerde zien we echter ook: zo zijn er de grafschriften van een Grieks-Hebreeuwse leraar [TM 876393] en een Grieks-Palmyreense dokter [TM 829352] die de respectievelijke beroepen expliciet in het Grieks vermelden, maar niet in de lokale taal. Misschien was de leerkracht gespecialiseerd in Grieks onderricht? Adams merkte op dat ook Grieks-Latijnse grafschriften het beroep van dokter vermelden in de Griekse taal.

Naam en faam

Om meer te weten te komen over de identiteitsbeleving van overledenen moet er natuurlijk ook naar de namen en identificatie van die mensen gekeken worden. De etymologie van de naam van de overledene is natuurlijk een belangrijke factor om meer te weten te komen over de achtergrond en identiteit van de persoon. Iemand met een Griekse naam zal misschien wel eerder een band hebben met de Griekse cultuur dan met de lokale cultuur.

Deze dataset is groter dan die van het eerste deel, aangezien eigennamen vaak duidelijker zijn terug te vinden in de tekstedities dan de exacte positie van teksten of de exacte lengte van die teksten. Daarom worden ook Grieks-Nabatese, -Aramese, en -Fenicische grafschriften gebruikt voor dit onderdeel. Die opschriften komen voornamelijk uit het huidige Libanon en Israël/Palestina.

Deze resultaten werden opnieuw per taal gesorteerd en vervolgens in overzichtelijke tabellen gegoten.

[4. Etymologie – Grieks met:]

Grieks Andere Latijn Beide Onbekend
Palmyreens 13,9% 68,4% 16,1% 0% 1,5%
Frygisch 46,4% 28,9% 17,5% 0% 7,2%
Hebreeuws 27,3% 58,5% 13% 0% 1,3%
Koptisch 36,1% 61,1% 0% 0% 2,8%
Demotisch 37,5% 50% 0% 6,3% 6,3%
Hiërogliefisch 40% 50% 0% 10% 0%
Nabatees 16,7% 66,7% 0% 8,3% 8,3%
Aramees 9,1% 81,8% 9,1% 0% 0%
Fenicisch 47,4% 52,6% 0% 0% 0%
Totaal % 29,5% 54,9% 11,3% 1,1% 3,2%

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 47

Deze tabel toont de linguïstische etymologie van de namen op de grafschriften. In totaal beschikken we over 432 namen. Op sommige grafinscripties staan namelijk meerdere namen, hetzij omdat er meerdere personen in één graf waren begraven, hetzij omdat de persoon in kwestie met meerdere namen bekend was. De categorie ‘Andere’ slaat op een niet-Griekse, niet-Latijnse naam vaak afkomstig uit de lokale taal van het grafschrift, maar niet altijd. ‘Beide’ wilt zeggen dat de naam bestaat uit twee onderdelen, elk afkomstig uit een andere taal. Het is duidelijk dat over het algemeen één soort etymologie overheerst, namelijk die van de lokale taal. De Grieks-Frygische grafschriften uit Centraal-Anatolië vormen echter de uitzondering: bijna de helft van die namen zijn van Griekse origine. De verdeling die te zien is tussen de verschillende regio’s is heel interessant. Meer dan 2/3de van de grafschriften uit Palmyra draagt een Palmyreense naam, terwijl slechts de helft van de Egyptische grafschriften een Egyptische naam bevat. De etymologie van een naam is uiteraard niet altijd bekend.

Identiteit achter de naam

Tweetalig grafschrift Latijn-Palmyreens van een vrijgelatene met meer identificatie-elementen (zoals de naam van haar echtgenoot) enkel in het Latijn

Naast namen vermelden de grafschriften ook vaak andere identificatie-elementen. In de Oudheid bestonden er namelijk geen achternamen zoals wij die kennen. Op een grafschrift moest men zich dus op andere manieren differentiëren van mensen met dezelfde voornaam. Daarom werd vaak de naam van de vader toegevoegd achter die van de dode, als patroniem (bijvoorbeeld Thaimarsas, zoon van Zabdaathes [TM 831060], zie ook de website van Virtual Museum of Syria voor een afbeelding en meer context). In sommige gevallen was dit de naam van de moeder, een metroniem. Om iemand nog specifieker te identificeren werd vaak ook de naam van de grootvader, overgrootvader, enzovoort toegevoegd. Daarbovenop werden nog andere identificatie-elementen gebruikt: woonplaats, echtgeno(o)t(e), clan of beroep.

Ik heb niet in kaart gebracht welke identificatie-elementen er werden gebruikt, maar wel hoeveel, en of die hoeveelheid dezelfde was in beide talen. Iemand die immers heel uitgebreid geïdentificeerd wordt in de lokale taal en slechts zeer kort in het Grieks, voelde zich waarschijnlijk eerder verbonden met de lokale cultuur dan de Griekse.

[5. ID-elementen: – Grieks met:]

ID-elementen in Grieks ID-elementen in Andere taal Langer?
Palmyreens 3,08 3,41 Andere taal
Frygisch 1,23 / /
Hebreeuws 1,84 1,39 Grieks
Koptisch 2,89 1,5 Grieks
Demotisch 2,06 2,36 Andere taal
Hiërogliefisch 2,69 2,75 Andere taal
Nabatees 1,91 2,33 Andere taal
Aramees 2,67 2,6 Grieks
Fenicisch 2,6 3,1 Andere taal
Totaalgemiddelde 2,19 2,62 Andere taal

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 48

Deze tabel toont het gemiddeld aantal identificatie-elementen per overledene per taal. Voor het Grieks is hier gekeken naar de 241 Griekse teksten die iemand identificeren en voor de lokale taal naar de 174 teksten (zie tabel 3). Het betreft hier dus niet grafschriften waarbij beide teksten de overledene identificeren. Het totaal toont aan dat de overledenen in het algemeen uitgebreider in de lokale taal werden bekendgemaakt dan in het Grieks. Er zijn wel uitzonderingen, namelijk de Grieks-Hebreeuwse, -Koptische, en -Aramese teksten. Daarnaast is het ook interessant om de verschillen te zien tussen de talen. Over het algemeen identificeren de Grieks-Palmyreense grafinscripties de overledene uitvoeriger, met gemiddeld meer dan drie elementen, dan hun Grieks-Hebreeuwse tegenhangers, met gemiddeld minder dan twee elementen.

Genderongelijkheid tot de dood

Er zijn ook opvallende verschillen op te merken tussen de identificatie van mannen en van vrouwen op de grafstenen. Mannen werden over het algemeen uitgebreider genoemd dan vrouwen, met meer elementen. Vrouwen moesten zich vaak tevredenstellen met twee identificatie-elementen of minder, terwijl de mannen er vaak meer dan twee hadden. De talige afkomst van de vrouwennamen en de mannennamen verschilt echter weinig van elkaar. In de helft van de gevallen worden de namen van de vrouwen enkel genoemd in de Griekse tekst. Mannen worden dan weer in 2/3de van de gevallen in beide talen bekendgemaakt.

Conclusie

Er kan besloten worden dat het beeld niet éénduidig is inzake de identiteitsbeleving van overledenen met tweetalige grafschriften. Op basis van de positie van de teksten, de lengte en de inhoud zou je denken dat over het algemeen de Griekse identiteit de overhand heeft. Als we echter kijken naar de namen en de lengte van identificatie van de overledenen zien we een dominantie van de lokale talen. Dit is net het mooie aan deze grafinscripties, namelijk dat de twee culturen en talen, lokaal én Grieks, hand in hand gaan. Het is dus duidelijk dat deze overledenen een hybride identiteitsbeleving hadden, waarbij hun lokale wortels werden gecombineerd met de dominante Griekse cultuur.

Meer lezen

Adams, James Noel. Bilingualism and the Latin language. Cambridge: Cambridge University Press, 2003.

Adams, James Noel en Janse, Mark en Simon Swain, reds. Bilingualism in Ancient Society: Language Contact and the Written Text: 1-23. Oxford: Oxford University Press, 2002.

Van Hoof Hoefnagels, Nathan. ‘ἐν םולש ἡ κοίμησις: Een studie naar identiteitsbeleving o.b.v. Griekse tweetalige grafinscripties’. Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024.

Van Hoof Hoefnagels, Nathan. “ἐν שלום ἡ κοίμησις. Identiteit van overledenen in Griekse tweetalige grafinscripties.” Poster gepresenteerd op de Masterproefpresentaties 2023-2024.

[1] Enkele drietalige inscripties met aanwezigheid van Latijn (naast het Grieks en een andere taal) werden ook onderzocht, maar de Latijnse teksten werden genegeerd voor dit onderzoek.

[2] Bij alle tabellen wijkt het opgetelde totaalpercentage af van 100% vanwege afrondingen

[3] Exclusief religieuze spreuken

[4] Exclusief religieuze spreuken

Coverafbeelding: Een drietalig grafschrift (Latijn-Grieks-Hebreeuws) uit Tortosa, Spanje, 6de-7de eeuw n.C. Interessant detail is de gravering van een menora en een Davidster [TM 233098], afkomstig uit de databank Hesperia (CC BY-NC 3.0)

[De auteur wil Michiel D’huyvetters en Stef Janssens bedanken voor het proeflezen.]

Het bericht ἐν שלום ἡ κοίμησις: identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties van Nathan Van Hoof Hoefnagels verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/30/11/2025/%e1%bc%90%ce%bd-%d7%a9%d7%9c%d7%95%d7%9d-%e1%bc%a1-%ce%ba%ce%bf%ce%af%ce%bc%ce%b7%cf%83%ce%b9%cf%82-identiteitsbeleving-op-basis-van-griekse-tweetalige-grafinscripties/feed/ 0 2747
Quis est? Sostratos van Aegina: de rijkste aller Grieken? https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2023/quis-est-sostratos-van-aegina-de-rijkste-aller-grieken/ https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2023/quis-est-sostratos-van-aegina-de-rijkste-aller-grieken/#respond Sun, 08 Oct 2023 16:25:24 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2472

In onze reeks 'Quis est?' beschrijven we minder bekende figuren uit de Oudheid, zoals deze Sostratos van Aegina? Is deze handelaar, die zowel bij Herodotus als in teksten uit Italië en Egypte wordt vermeld, de rijkste aller Grieken?

Het bericht Quis est? Sostratos van Aegina: de rijkste aller Grieken? van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Vorige week pakte de krant De Standaard uit met de test “bent u rijk?”, en voegde daar de boude bewering aan toe dat je “met 2 miljoen tegenwoordig niets bent”. Zorgen over de groeiende ongelijkheid klinken steeds luider, maar tegelijk blijven lijstjes van rijke mensen populair, en kunnen we de capriolen van ’s werelds meest welvarende persoon, Elon Musk, bijna in real time volgen. Hoewel hun invloed misschien wel groter is dan ooit, zijn superrijken niet alleen een hedendaags fenomeen, en ook over hun historische voorgangers doen vaak allerlei straffe verhalen de ronde, waaronder ook over een zeker Sostratos van Aegina.

Het lot van Crassus, in de zestiende-eeuwse verbeelding

Een andere persoon die wel eens omschreven wordt als de rijkste man in de wereldgeschiedenis is Mansa Musa, de veertiende-eeuwse heerser over het koninkrijk Mali. Op bedevaart naar Mekka zou hij in Caïro zoveel goud uitgedeeld hebben, dat de goudprijs en daarmee de hele economie crashte. In Rome was er de fabelachtige rijkdom van Marcus Licinius Crassus, de triumvir die een groot fortuin vergaarde via speculatie op de vastgoedmarkt. De Parthen waren zich welbewust van ’s mans reputatie, en nadat hij sneuvelde in de slag bij Carrhae (53 v.C.) goten ze volgens de overlevering gesmolten goud in zijn mond. De Griekse steden waren meer egalitair, en het is minder duidelijk wie de rijkste aller Hellenen geweest zou kunnen zijn. Eén man heeft echter een sterke claim, als we tenminste Herodotus mogen geloven. En andere bronnen voor die Sostratos van Aegina suggereren inderdaad dat zijn beschrijving op waargebeurde feiten gebaseerd is.

De reputatie van Sostratos (en die van Herodotus)

Haast terloops, als deel van een verhaal over de Samiërs, merkt de geschiedschrijver Herodotus op dat geen enkele handelaar ooit meer inkomsten vergaarde dan een zekere Sostratos uit Aegina, de zoon van Laodamas:

“ἀπονοστήσαντες οὗτοι ὀπίσω μέγιστα δὴ Ἑλλήνων πάντων τῶν ἡμεῖς ἀτρεκείην ἴδμεν ἐκ φορτίων ἐκέρδησαν, μετά γε Σώστρατον τὸν Λαοδάμαντος Αἰγινήτην: τούτῳ γὰρ οὐκ οἷά τε ἐστὶ ἐρίσαι ἄλλον.”

“Naar huis teruggekeerd, haalden zij [sc. de Samiërs] de meeste winst uit hun vracht van alle Grieken waarover we zekerheid hebben, behalve dan Sostratos, zoon van Laodamas, uit Aegina: met hem kan geen enkel ander wedijveren.” (Historiae 4, 152)

Herodotus, de Griekse geschiedschrijver

Aldus vervoegde Sostratos de selecte groep van Griekse handelaars die bij naam vereeuwigd werden in de literaire bronnen. De Griekse upper class had, net als de Romeinse senatoriale elite, namelijk geen al te hoge pet op van handelaars, en voelde niet vaak de behoefte om hun verwezenlijkingen te vereeuwigen. Desalniettemin suggereert Herodotus’ opmerking dat zijn publiek goed genoeg wist over wie hij het had, aangezien hij geen enkel detail over Sostratos’ activiteiten vermeldt. Gelukkig voor ons is Sostratos (of zijn familie) een van die gevallen waar de literaire en documentaire bronnen elkaar aanvullen. Uit die laatste categorie blijkt een uitgebreid handelsnetwerk, dat zich uitstrekte doorheen het Middellandse Zeegebied. Tegelijk bevestigen deze teksten de geloofwaardigheid van de “vader van de geschiedschrijving”, waar zowel antieke als moderne historici wel eens aan durven twijfelen.

Aegina in de 6de eeuw v.C.

Zesde-eeuwse stater van Aegina met de schilpad

Sostratos’ thuisregio Aegina was een eiland in de Saronische golf, tussen Attica en de Peloponnesos, een strategische locatie om aan handel te doen. Het was dan ook een welvarende gemeenschap, die in de 6de eeuw v.C. belangrijker was dan het nabijgelegen Athene. De Aeginese stater met de bekende schildpad was een van de eerste munten in de Griekse wereld, en andere steden volgden de muntstandaard van Aegina voor het slaan van hun eigen munten. Handelaars als Sostratos speelden hierin een aanzienlijke rol. Aan het einde van de 6de eeuw v.C. bouwde de stad een monumentale tempel voor Aphaea, nog steeds een populaire bezienswaardigheid, en een heiligdom voor Apollo. Sommige onderzoekers willen hier ook de hand van Sostratos in zien, en twee sokkels voor standbeelden dragen inderdaad een inscriptie die verwijst naar iemand met die naam. Na de Perzische oorlogen verloor Aegina aan belang ten voordele van grote rivaal Athene.

Sostratos in Italië

Sostratos zou misschien voor altijd een semi-legendarische figuur gebleven zijn, als de ontdekking van een intrigerende inscriptie in het Etruskische Gravisca daar geen verandering in had gebracht. Het gaat om een stenen anker, gewijd aan een godheid, zoals dat wel vaker gebeurde onder zeelieden als dank voor een veilige zeereis. De tekst is simpel en slechts gedeeltelijk bewaard, maar in al zijn kortheid bijzonder significant:

ΑΠΟΛΟΝΟΣ ΑΙΓΙΝΑΤΑ ΕΜΙ ΣΟΣΤΡΑΤΟΣ ΕΠΟΙΗΣΕ ΗΟ

“Ik behoor toe aan Apollo van Aegina. Sostratos, zoon van … heeft mij gemaakt”

Het anker van SostratosWikimedia

Het anker van Sostratos

De tekst dateert naar alle waarschijnlijkheid uit de late 6de eeuw v.C., en de combinatie van de naam Sostratos met de godheid uit Aegina maken het zeer waarschijnlijk dat het hier om de handelaar van Herodotus gaat. Bovendien liep het in Gravisca, de haven van de welvarende stad Tarquinia, vol met handelaars. De Etruskische steden waren belangrijke handelspartners voor de Grieken en hun havens waren levendige en kosmopolitische plaatsen met ruimte voor vreemde, niet-Etruskische goden.

Ook in Pyrgi, de haven van dat andere Etruskische centrum Caere, werd een dedicatie gevonden die mogelijk aan Sostratos toegeschreven kan worden. Met welke producten Sostratos zijn fortuin vergaarde, weten we niet zeker, maar tientallen beschilderde Attische vazen met het merkteken “So” (= So(stratos)?) suggereren dat hij de grootste invoerder van aardewerk van zijn tijd was. Belangrijker nog was hun inhoud: Griekse wijn. Hoewel de Etrusken zelf aan viticultuur deden, en hun wijn zelfs exporteerden naar Gallië, verkoos de elite het Griekse product van hogere kwaliteit. Dat ligt vandaag wel even anders: grote delen van Etrurië maken nu deel uit van Toscane, wereldberoemd voor haar Chianti en Brunello. De Etrusken importeerden verder olijfolie, allerlei metalen, luxeproducten zoals ivoor, en slaven. Mogelijk handelde Sostratos ook in sommige van deze goederen.

Sostratos in Egypte?

Sostratos’ activiteiten in Etrurië zouden op zichzelf al indrukwekkend geweest zijn, maar enkele vondsten uit het Egyptische Naukratis zouden er op kunnen wijzen dat zijn netwerk echt het hele Middellandse zeegebied omspande. Naukratis was een belangrijke handelspost in het noorden van Egypte, op dat moment deel van het Perzische rijk (we schrijven enkele decennia vòòr de grote confrontatie tussen dat rijk en de Griekse steden). Net als Gravisca was het een multicultureel emporium, maar Naukratis had een meer uitgesproken Grieks karakter. Het was geen kolonie van een enkele polis, maar een gemeenschap onderhouden met de steun van twaalf verschillende Griekse steden, waaronder Aegina, Sostratos’ thuisstad.

Schaal gewijd door een Sostratos in Naukratis

Enkele dedicaties die op de site teruggevonden zijn, zouden kunnen wijzen op de betrokkenheid van Sostratos en zijn familie: verschillende potten dragen er wijdingen aan Aphrodite Aphrodite van een Sostratos en een Leodamas (een variant van de naam van Sostratos’ vader bij Herodotus, Laodamas). Aphrodite had geen corresponderende tempel op Aegina zoals Apollo, maar speelde in het algemeen een belangrijke rol als beschermster van zeereizigers. Als Aphrodite Euploia kon ze de golven bedwingen en haar adepten een veilige vaart garanderen, en handelaars schreven soms hun commerciële successen aan haar tussenkomst toe.

Ook in Egypte importeerden Grieken hun veelgeprezen wijn, maar het grote geld viel eerder te rapen met het doorverkopen van Egyptische producten zoals graan, linnen en papyrus in de Griekse wereld. Er zijn echter enkele bezwaren tegen de interpretatie dat het hier om de Sostratos van Herodotus zou gaan: Leodamas wordt geïdentificeerd als zijnde afkomstig van de stad Teos, en de dedicatie door Sostratos gebruikt het alfabet van het eiland Chios. Het zou natuurlijk om een bijzonder internationale familie kunnen gaan, en misschien heeft Sostratos zijn graffiti niet zelf geschreven, maar voorzichtigheid is hier toch geboden.

Eén steenrijke Sostratos, of toch meerdere Sostratoi?

Sostratos was geen zeldzame naam in de Oudheid, en sommige onderzoekers betwijfelen dat al deze bronnen verwijzen naar een en dezelfde man, de Sostratos van Herodotus. Anderen kiezen een middenweg, en reconstrueren een familie van handelaars eerder dan één individu. Zowel beroepen als namen werden inderdaad vaak doorgegeven van vader (of grootvader) op zoon. Het blijft moeilijk om alle elementen hard te maken, in het bijzonder de Egyptische connectie, maar zeker het anker voor Apollo van Aegina uit Gravisca spreekt in het voordeel van de betrouwbaarheid van Herodotus. Bovendien kennen we andere handelaars, met veel ongebruikelijkere namen, die sporen achterlieten in zowel Etrurië als Naukratis, zoals een zekere Lethaios en een meneer Hyblesios. We kunnen dus terecht spreken van een geconnecteerde en mobiele wereld, waarin internationale handelaars aanzienlijke fortuinen verdienden. En de terloopse manier waarop Herodotus Sostratos van Aegina vermeldt, leert ons dat zijn succes fabelachtig geweest moet zijn.

Lees meer

Gill, D.W.J., ‘Positivism, Pots and Long-Distance Trade’, in I. Morris (ed.), Classical Greece: Ancient Histories and Modern Archaeologies, Cambridge, 1994, 99–107.
Hornblower, S., ‘Personal Names and the Study of the Ancient Historians’, Proceedings of the British Academy 104 (2000), 129–143.
Johnston, A., ‘Trading Families?’, in R.W.V. Catling and F. Marchand (eds.), Onomatologos. Studies in Greek Personal Names presented to Elaine Matthews, Oxford, 2010, 470–478.
Schweizer, B., ‘Zwischen Naukratis und Gravisca: Händler im Mittelmeerraum des 7. und 6. Jhs. v. Chr.’, in M. Fitzenreiter (ed.), Das Heilige und die Ware: Zum Spannungsfeld von Religion und Ökonomie, London, 2007, 307–324.

Coverafbeelding: adaptatie van een foto van een zwartfigurige vaas (kylix) uit de 6de eeuw v.C. met daarop Dionysus op een schip tussen de druiven en dolfijnen, via de afbeelding ‘Kylix Dionysus on a ship between dolphins’ vanop Wikimedia (CC BY-SA 4.0 DEED).

Het bericht Quis est? Sostratos van Aegina: de rijkste aller Grieken? van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2023/quis-est-sostratos-van-aegina-de-rijkste-aller-grieken/feed/ 0 2472
Voetbal in de Oudheid: feit of fabel? https://www.oudegeschiedenis.be/13/07/2018/voetbal-in-de-oudheid-feit-of-fabel/ https://www.oudegeschiedenis.be/13/07/2018/voetbal-in-de-oudheid-feit-of-fabel/#respond Fri, 13 Jul 2018 15:35:24 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=945 "Ball Players" in het National Archeological Museum in Athene.

Waar en wanneer is voetbal eigenlijk ontstaan? Voor zover bekend kwam het voetbal zoals wij dat kennen pas door de standaardisering van de spelregels in de tweede helft van de 19de eeuw in Groot-Brittannië tot stand. In het oude China, Griekenland en Rome zouden echter reeds vroege vormen van voetbal bestaan hebben. Voetbal in de Oudheid: feit of fabel?

Het bericht Voetbal in de Oudheid: feit of fabel? van Sofie Waebens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
"Ball Players" in het National Archeological Museum in Athene.

Het WK voetbal in Rusland nadert stilaan zijn hoogtepunt, al is voor ons Belgen de kans verkeken op de wereldtitel. De Fransen bleken in de halve finale met 1-0 net te sterk voor onze Rode Duivels. Spijtig, al staat zaterdag wel nog de kleine finale op het programma, met de derde plaats als inzet. Met de overwinning op Brazilië schreef onze nationale ploeg trouwens alvast voetbalgeschiedenis, daar is iedereen het over eens. Maar over geschiedenis gesproken: waar en wanneer is voetbal eigenlijk ontstaan? Voor zover bekend kwam het voetbal zoals wij dat kennen pas door de standaardisering van de spelregels in de tweede helft van de 19de eeuw in Groot-Brittannië tot stand. In het oude China, Griekenland en Rome zouden echter reeds vroege vormen van voetbal bestaan hebben, zo is onder meer te lezen op de website van de FIFA, de wereldvoetbalbond. Voetbal in de Oudheid: feit of fabel? Tijd om de geschiedenis van het voetbal in te duiken en ons te verdiepen in deze populaire sport, die ook de inspiratie vormde voor één van de bekendste wetenschappelijke artikels over de Oudheid.

De vroegste geschiedenis: het oude China

Over de oorsprong van het voetbal heerst heel wat onduidelijkheid, maar de eerste balspelen dateren al van 3000 jaar geleden. Met name in China bestond reeds vanaf de 3de eeuw v.C. een balspel, Tsu-chu of cuju -letterlijk: “met de voet tegen een bal schieten”- genaamd, waarbij een leren, met veren of haren gevulde bal in een doel getrapt moest worden. Dit behendigheidsspel, dat in 2004 door de FIFA officieel erkend werd als de bakermat van het moderne voetbal, maakte oorspronkelijk deel uit van de training van soldaten, maar werd al snel opgepikt als tijdverdrijf door zowel de hogere als lagere klassen. Het werd gespeeld op een rechthoekig veld, met twee teams bestaande uit zes spelers en met aan weerszijden zes putten. Tijdens de Han-dynastie (206 v.C.-222 n.C., dus ongeveer ten tijde van het hellenisme en de vroege Keizertijd) verspreidde het spelletje zich over heel China en tijdens de daaropvolgende eeuwen groeide cuju zelfs uit tot een professionele sport, waarbij voortaan gespeeld werd met een met lucht gevulde bal en twee netten als doel.

Schilderij van Du Jin uit de Ming-dynastie, waarop te zien is hoe dames in elegante gewaden Cuju spelen

Vanaf de 10de eeuw ontstonden in de grote steden ook clubs, waar cuju onderricht werd, en werd een jaarlijks nationaal kampioenschap (Shan Yue Zheng Sai) georganiseerd. In het keizerlijk paleis werden ook geregeld wedstrijden gehouden tussen professioneel getrainde spelers op speciaal daarvoor voorziene speelvelden (Zhu Qiu). Deze vonden niet enkel plaats om de keizer en zijn entourage te vermaken, maar ook om belangrijke gelegenheden zoals de verjaardag van de keizer luister bij te zetten. Ook vrouwen namen overigens deel aan het spel, want op een schilderij daterend uit de Ming-dynastie (circa 1400-1500) zien we enkele hofdames, gekleed in elegante gewaden, een bal heen en weer trappen.

Een bijzondere archeologische vondst

Cover van FIFA News met de grafsteen van Gaius Laberius

Ook bij de Grieken en Romeinen waren balspelen populair, vooral in latere tijden. De oudste afbeelding van een voetbalspeler zou zelfs te vinden zijn op een Romeinse grafsteen uit de 1ste of 2de eeuw n.C., die gevonden werd in het Kroatische dorpje Sinj, niet ver van Split. In 1969 haalde deze grafsteen zelfs de voorpagina van het ‘FIFA News’-magazine met de kop ‘Archaeology and football‘. Volgens het bijhorend artikel, dat zich baseerde op de bevindingen van Josip Britvić, een lokale amateurarcheoloog, zou de grafsteen het bewijs zijn dat een vroege vorm van voetbal reeds van oudsher gespeeld werd in Dalmatië, het huidige Kroatië. Op de grafsteen is inderdaad een jongen afgebeeld met een bal met zeshoekige vlakken in zijn handen. Volgens het bijhorende opschrift stierf het jongetje, dat Gaius Laberius heette, reeds op zevenjarige leeftijd, tot groot verdriet van zijn moeder (TM 185762). Of dit betekent dat de oorsprong van het voetbal inderdaad in Kroatië moet worden gezocht, zoals Britvić beweert, laat het artikel in het midden, maar de grafsteen is om deze reden wel één van de attracties van Sinj en heeft zelfs een eigen Twitter-account (@GaiusLaberius).

Gezien de grootte van de bal wordt de grafsteen door onderzoekers echter eerder in verband gebracht met harpastum, een balspel dat bijzonder populair was in het hele Romeinse Rijk en zich vermoedelijk ontwikkelde uit phaininda of episkyros, twee Griekse balsporten die in ploeg gespeeld werden. Ook deze werden in het verleden overigens beschouwd als voorlopers van het moderne voetbal, voornamelijk op grond van de afbeelding van een episkyros-speler op een Attische vaas uit de 4de eeuw v.C. Het gaat hier om een jonge atleet, die als onderdeel van zijn training een bal laat balanceren op zijn opgetrokken rechterdijbeen, een houding die doet denken aan die van een voetbalspeler. Geen wonder dus dat deze “Maradona” in 1994 op Griekse postzegels prijkte als voorouder van een moderne voetbalspeler.

Griekse postzegel gemaakt voor het WK 1994 met afbeelding van de Episkyros-speler

Balspelen, goed voor de gezondheid?

De Grieks-Romeinse arts Galenus schreef een volledig werk over oefeningen met de kleine bal: De parvae pilae exercitu

Al waren balspelen dus wel degelijk populair in de Griekse wereld, niet enkel bij kinderen (zowel jongens als meisjes), maar ook bij atleten als onderdeel van hun training, toch tonen de schaarse geschreven bronnen aan dat de bal bij dergelijke spelen niet werd getrapt, maar gegooid. Sterker nog, de bekende Grieks-Romeinse arts Galenus raadde in de 2de eeuw n.C. in zijn werk ‘Oefeningen met de kleine bal’ balspelen zelfs aan als de ideale sport voor een gezond lichaam, want “het harde gooien van een bal over een vrij lange afstand, waarbij de benen weinig of zelfs helemaal niet gebruikt worden, oefent het bovenste gedeelte van het lichaam. Het zo ver mogelijk gooien van een bal na een lange, snelle loop, waarvoor weinig worpen nodig zijn, oefent het onderlichaam” (De parvae pilae exercitu 4).

In de Romeinse wereld genoten balspelen overigens een bijzonder grote populariteit, niet alleen bij de gewone bevolking, maar ook bij vooraanstaande politici en keizers zoals Caligula. Onder de ruim 10 000 teksten die werden teruggevonden in Pompeï, de stad die in 79 n.C. bedolven werd door de uitbarsting van de Vesuvius, vinden we onder meer het volgende opschrift: Epaphra philicrepus non est (“Epaphra is niet goed in balspelen”; TM 524723). Niet alleen op straat, maar ook in de publieke badhuizen werd overigens geregeld gebald, zoals blijkt uit archeologische vondsten in Pompeï en Herculaneum en uit de geschreven bronnen. Daarbij kon het er hevig aan toegaan: in de Digesta, een verzameling geschriften van Romeinse rechtsgeleerden, wordt melding gemaakt van een jonge slaaf die door één van de spelers ruw uit de weg werd geduwd en daarbij zijn been brak (9.2.52.4). Een andere slaaf had nog minder geluk: hij kwam om het leven tijdens een scheerbeurt omdat de barbier getroffen werd door een verdwaalde bal (9.2.11). Cave pilam, “Pas op voor de bal!”, het weerklonk ongetwijfeld regelmatig in de straten van Rome…

Apopudobalia – apo-wat?

Toen in 1996 het eerste deel verscheen van Der Neue Pauly, Enzyklopädie der Antike (één van de belangrijkste naslagwerken voor de Klassieke Oudheid), stelden heel wat historici zich vragen bij de bijdrage ‘Apopudobalia’, geschreven door de jonge Duitse academicus Mischa Meier. Hierin wordt immers een antieke vorm van voetbal, gekend uit de Grieks-Romeinse Oudheid, beschreven, evenals de bronnen waarin deze sport vermeld wordt. Bestond voetbal in de Oudheid dan toch? Het duurde echter niet lang voordat een artikel verscheen in The Petronian Society Newsletter 28 (1998), waarin niet minder dan zes fouten geïdentificeerd werden door de auteurs, waaronder de spelling van de Griekse auteur Achilles Tatius als Achilleus Taktikos en de datering van enkele bronnen. Een vervolgartikel van de hand van Werner Hübner in de volgende editie van The Petronian Society Newsletter maakte echter snel duidelijk dat Meier de naam van de Griekse auteur met opzet verkeerd had geschreven, want het artikel was als grapje bedoeld en dus van begin tot eind verzonnen (tot zelfs de twee bibliografische referenties toe: “A. Pila” verwijst naar bal in het Latijn en “B. Pedes” naar voeten, samen dus voetbal). Door tijdsnood en publicatiedruk was het fictieve artikel (in het Duits ‘U-Boot’) echter onopgemerkt gebleven en in druk verschenen. Gevraagd naar de reden waarom hij het artikel had verzonnen, zei Meier in een online interview in 2010:

Es war ein spontaner Einfall.

Al snel kwam aan het licht dat het artikel “nur ein lustiger Scherz war”, maar het grapje had Meier duur te staan kunnen komen: de uitgeverij dreigde er in eerste instantie mee alle drukken terug te laten roepen en de kosten op hem te verhalen, maar zag hier vanaf toen bleek dat de meeste onderzoekers het grapje wel konden waarderen. Voor wie het zich trouwens afvraagt: het artikel is ondertussen beroemd geworden en de auteur, Mischa Meier, is professor oude geschiedenis aan de universiteit van Tübingen. Eind goed, al goed!

Meer lezen?

W. Behringer, Kulturgeschichte des Sports: vom antiken Olympia bis ins 21. Jahrhundert, München 2012.
H.A. Harris, Sport in Greece and Rome, New York 1972, p. 75-111.
M. Meier, “Scherzeinträge in Lexika: Von Steinläusen und Kurschatten“, spiegel.de, 7 maart 2010.
S. Remijsen en W. Clarysse, “Balspelen” en “Sport in het oude China”, http://ancientolympics.arts.kuleuven.be.

Coverfoto: “Ball Players”, een marmeren reliëf uit het National Archeological Museum in Athene, foto genomen door Giovanni (CC-SA 2.0) op Wikimedia.

Het bericht Voetbal in de Oudheid: feit of fabel? van Sofie Waebens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/13/07/2018/voetbal-in-de-oudheid-feit-of-fabel/feed/ 0 945
Oskisch: What’s in a name? https://www.oudegeschiedenis.be/31/05/2018/oskisch-whats-in-a-name/ https://www.oudegeschiedenis.be/31/05/2018/oskisch-whats-in-a-name/#respond Thu, 31 May 2018 17:17:19 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=890 Oskisch

Al eens gehoord over het Oskisch? Deze Italische taal werd genoemd naar de Osken (Osci), een volk dat in het zuiden van Italië leefde omstreeks de 5de eeuw v.C. Hoewel de taal sterk verwant is met het Latijn, verdween ze, onder druk van datzelfde Latijn, waarschijnlijk op het einde van de 1ste eeuw n.C. Gelukkig zijn er naast een aantal inscripties -bijvoorbeeld in Pompeii- ook nog heel wat taalkundige overblijfselen van het Oskisch te vinden. Zo ook bijvoorbeeld in de Romeinse naamgeving, die we in dit artikel willen bekijken vanuit een Oskisch standpunt.

Het bericht Oskisch: What’s in a name? van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Al eens gehoord over het Oskisch? Deze Italische taal werd genoemd naar de Osken (Osci), een volk dat in het zuiden van Italië leefde omstreeks de 5de eeuw v.C. Hoewel de taal sterk verwant is met het Latijn, verdween ze, onder druk van datzelfde Latijn, waarschijnlijk op het einde van de 1ste eeuw n.C. Gelukkig zijn er naast een aantal inscripties – bijvoorbeeld in Pompeï – ook nog heel wat taalkundige overblijfselen van het Oskisch te vinden. Zo ook bijvoorbeeld in de Romeinse naamgeving, die we in dit artikel willen bekijken vanuit een Oskisch standpunt.

Oorsprong

Oskisch is een Indo-Europese taal die als Italische taal (samen met het Umbrisch) tot de Sabellische taalfamilie behoort. De taal werd meestal van rechts naar links geschreven en kon naast in een inheems Oskisch-Umbrisch alfabet (gebaseerd op het Etruskisch), zowel in het Griekse als het Latijnse alfabet worden weergegeven. Geografisch gezien was Osci –ook bekend onder de naam Opici of Opikoi in het Grieks- een verzamelnaam voor enkele volkeren die in het 1ste  millennium v.C. in de zuidelijke Italiaanse provincie Campania leefden. Het Oskisch als taal werd vanaf de 5de eeuw v.C. voornamelijk gesproken door de Samnieten en de Osken, die zuidelijker leefden in steden zoals Capua, Cumae en Napels. Na de Samnitische Oorlogen (343-290 v.C.) werden deze volkeren door de Romeinen onderworpen en raakte het Oskisch steeds meer in verdrukking door het Latijn. Desalniettemin verliep deze overgang zeker op het platteland veel trager dan in de steden en werd het Oskisch ook op verschillende wijzen geassimileerd met het Latijn. Sporen daarvan treffen we nog steeds aan in literatuur (bijvoorbeeld bij Varro, Cicero en Ennius), in opschriften en bij plaats- en persoonsnamen.

Inscripties

Wanneer we het volledige corpus van Oskische inscripties willen bestuderen, dienen we op dit moment iets meer dan 1000 bekende attestaties van teksten te bekijken. De database Trismegistos, die informatie over alle teksten uit de Oudheid tussen ruwweg 800 v.C. en 800 n.C. verzamelt, kent op het moment van schrijven 1169 verschillende attestaties van teksten in het Oskisch (opgelet: dit is een een vertekend aantal, waarbij een heel aantal Oskische teksten waarvan het schrift ongespecificeerd als Italisch staat aangeduid in de database, nog moeten worden bijgerekend of een aantal verkeerdelijk als Oskisch aangeduide teksten mogelijk om een andere Sabellische taal gaat). Hierbij dienen we eveneens op te merken dat een groot deel van deze teksten als opschrift op het zogenaamde instrumentum domesticum (huishoudelijke producten zoals tegels of vazen) werden aangebracht. Dit gaat dan in de meeste gevallen om eenzelfde markering die de pottenbakker die de producten fabriceerde markeerde. Daarnaast zijn er ook een heel deel seriële munten die hetzelfde opschrift delen, die deze cijfers vertekenen. Naar unieke opschriften zullen een 500-tal Oskische teksten dichter bij de waarheid liggen.

 

 

 

 

 

Van deze teksten zijn de meeste afkomstig uit de regio Latium et Campania, voornamelijk dankzij de overblijfselen uit Pompeii  –for obvious reasons– en meer dan 70% is gemaakt van aardewerk. Chronologisch zijn deze teksten moeilijker te rangschikken, want niet alle teksten zijn absoluut gedateerd en deze zorgen dus voor afwijkingen in de grafiek. Toch kunnen we stellen dat de vroegste teksten dateren uit de 5de eeuw v.C. en de laatst gekende uit de 1ste eeuw n.C.

Naamgeving

Het bekende Romeinse naamgevingssysteem van de tria nomina gaat terug op een Etruskisch gebruik. Zij maakten gebruik van familienamen die overgeërfd werden door hun nakomelingen, in tegenstelling tot andere mediterraanse culturen waarbij het binomiale systeem bestond uit een voornaam en een patroniem (de aanduiding van de vadersnaam). Hoewel ook de Romeinen vaak gebruik maakten van zo’n filiatie -denk maar aan de aanduiding f(ilius), zoon van, op bijvoorbeeld grafinscripties- werd hun praenomen of voornaam gevolgd door een erfelijk nomen gentilicium, een familienaam die verwees naar de gens waartoe de persoon in kwestie behoorde. Een latere ontwikkeling was de toevoeging van de bijnamen, vaak als enkele bijnaam of cognomen, maar soms ook als tweede bijnaam of agnomen -bijvoorbeeld wegens een bijzondere verdienste, denk maar aan de befaamde Publius Cornelius Scipio die het agnomen Africanus kreeg na Hannibal te verslaan bij de veldslag van Zama in 202 v.C.- waardoor een Romeinse naam ook uit vier componenten kon bestaan.

Het Oskische naamgevingssysteem maakte eveneens gebruik van deze Italische variant van erfelijke familienamen. Vaak treffen we een praenomen aan, gevolgd door een gentilicium. In bepaalde gevallen worden deze dan ook nog eens gevolgd door een patroniem (of dit kan wegens een gemis aan een filiatie-aanduiding ook de voormalige eigenaar aanduiden bij een slavennaam) of door een bijnaam (die zeldzaam zijn en dan nog voornamelijk in het latere Noord-Oskische corpus met Latijns alfabet voorkomen). Hoe de naam voorkomt en met hoeveel naamcomponenten hangt daarnaast ook sterk af van het genre van inscriptie (publiek of privaat), persoonlijke voorkeur of het al dan niet volledige karakter van de overgeleverde inscriptie.

Voor Oskische namen hebben we te maken met een dominantie van mannelijke namen. Vrouwelijke namen zijn zeldzaam, waarschijnlijk door het geringe aantal overgeleverde Oskische grafinscripties, het epigrafische genre bij uitstek waarbij vaak ook vrouwelijke namen te vinden zijn. Oskische voornamen en gentilicia eindigen vaak op -is of -iis, een vorm die in het Latijns vaak –ius wordt. Natuurlijk vinden we verschillen tussen het Noord- en Centraal-Oskisch en het Zuid-Oskisch. Het eerste is geschreven in een inheems Oskisch alfabet (sinistrograad of van rechts naar links) of in het Latijns alfabet (dextrograad of van links naar rechts), dat na de Samnitische Oorlogen voornamelijk in de regio’s Campania en Samnium voorkomt. Het Zuid-Oskische corpus werd geschreven in het Griekse alfabet (eveneens dextrograad) en is voornamelijk afkomstig uit de zuidelijkere regio’s Lucania, Bruttium en Messina.

De verdeling van deze namen met de verschillende naamcomponenten ziet eruit als volgt:

[Tabel gebaseerd op K. McDonald (2012)]

elementen Noord- en Centraal-Oskisch: 637 namen Zuid-Oskisch: 133 namen
4 17 1
3 200 20
2 258 60
 1 162 52

Zoals eerder al aangehaald komen cognomina voornamelijk voor bij Oskische namen geschreven in het Latijnse alfabet. De grote groep van namen die uit één naamcomponent bestaan zijn dan weer genregebonden: in defixiones of vervloekingstabletten -die trouwens ook procentueel gezien de meerderheid van de Oskische namen overgeleverd hebben- komen deze massaal voor.

Oskische namen

Een complete lijst van Oskische praenomina en gentilicia opsommen zou ons hier te ver leiden en het is bovendien ook niet altijd duidelijk in welke mate een naam die in het Latijn of Oskisch voorkomt uit die taal afkomstig is (of eventueel teruggaat op een proto-Italische stam). Wederzijdse beïnvloeding zorgde er daarnaast voor dat Latijnse namen opduiken in het Oskisch en Oskische namen ook in andere talen werden opgenomen. Een exotisch voorbeeld hiervan is een funeraire inscriptie (TM 47467) die nabij de Egyptische stad Alexandria werd gevonden en gedateerd wordt tussen 199 en 30 v.C.

Μαραῖος Βακείου | Μαμερτῖνος.

“Maraeus, zoon van Baceius, een Mamertinus”

Hoewel deze persoon duidelijk het Griekse naamgevingssysteem volgt (een naam plus een patroniem of vadersnaam), duidt het toegevoegde ethnikon of plaats van origine op een Oskische afkomst. De Mamertijnen waren een volk van huurlingen die gebaseerd waren in Campania en wier naam verwees naar de Oskische oorlogsgod Mamers (het equivalent van de Romeinse god Mars). Maraeus is een geattesteerde Oskische voornaam die slechts in enkele gevallen als Maraios in het Grieks voorkomt en waarvan de Oskische stam Marahii(s) of Marahis is. Het digitale Lexicon of Greek Personal Names (LGPN) kent slechts 9 andere gevallen waarin deze naam in het Grieks voorkomt, maar toch raakte deze Oskische voornaam via het Grieks verspreid tot in Egypte.

Andere Oskische namen die voornamelijk ook voorkomen op dedicatieopschriften worden nadien hergebruikt in het Latijn. Zo komt de Oskische naam Viíbis ook ter sprake bij Livius in zijn Ab Urbe Condita (XXVII,15) waarin hij de Campanische ambassadeur Vibius Virius (het gentilicium is overgenomen van het Oskische Víríiis) vermeldt. De naam Statiís, een van oorsprong Oskische voornaam waarvan we als dragers onder meer enkele Samnitische notabelen kennen, werd bij de Romeinen later als slavennaam Statius gebruikt, mogelijk wegens de lage komaf van inwoners die met die naam vanuit het Oskische platteland naar Rome kwamen. Een moeilijk geval nog vormt de naam Nium(p)sis: sommige onderzoekers zien hierin het equivalent van de Griekse naam Numfios of Numpsios, maar het is eerder waarschijnlijk dat de naam teruggaat op het Latijnse Numerius of een Etruskische voorganger hiervan.

Ook in de numismatiek zien we een heleboel voorbeelden van Oskische namen, sommigen ook in het Oskische alfabet. Zo lezen we op de achterzijde van een zilveren denarius geslagen ten tijde van de Bondgenotenoorlog de naam van Gaius Papius Mutilus in het Oskisch (van rechts naar links) vermeld als C. PAAPI. C. (en op de voorzijde MUTIL). Deze Samnitische generaal van nobele afkomst vocht met de zuidelijke rebellen tegen het Romeinse leger en behaalde roemrijke successen in verschillende veldslagen. Om deze te herdenken liet de Marsische Confederatie munten slaan met zijn naam erop.

Griekse invloed?

Tot slot kunnen we ons nog afvragen of de beïnvloeding van andere talen ook het Oskische naamgevingssysteem zelf veranderde. Sommige onderzoekers probeerden dit aan te tonen aan de hand van het Zuid-Oskische corpus met Griekse alfabet. Volgens hen zou de invloed van de hellenisering in de zuidelijke Italische regio’s ook de Oskische naamgeving hebben beïnvloed. Toch lijken hun argumenten hiervoor (het voorkomen van volledig gehelleniseerde Oskische namen, de volgorde waarin de naamcomponenten voorkomen en het voorkomen van namen bestaande uit slechts één naamcomponent) makkelijk kunnen worden weerlegd. Zo kunnen die laatste namen met één naamcomponent door de epigrafische praktijk bijvoorbeeld vaker voorkomen in bepaalde genres, berust de omgekeerde volgorde met een patroniem tussen praenomen en gentilicium vaak op een verkeerde lezing of interpretatie en zijn er amper voorbeelden van volledig gehelleniseerde Oskische namen. Natuurlijk moeten we ons bewust zijn van de caveats bij het Oskische tekstcorpus, zoals daar zijn: het beperkt aantal inscripties, de ongelijke verdeling tussen bepaalde regio’s en de slechte bewaring of overlevering van sommige opschriften. Toch kunnen we vermoeden dat de Oskische naamgeving, hoewel sterk beïnvloed door het Latijn en het Grieks na periodes van oorlog en invasies, zijn Italische eigenheid heeft kunnen behouden. Ondanks de assimilatie van Griekse en Latijnse namen (en het opnemen van Oskische namen in andere talen) bleef het Oskische naamgevingssysteem met de erfelijke gentilicia bewaard tot de periode waarin de taal verdween.

Meer lezen?

N. Zair (2016), Oscan in the Greek Alphabet, Cambridge University Press.

K. McDonald (2015), Oscan in Southern Italy and Sicily: Evaluating Language Contact in a Fragmentary Corpus, Cambridge University Press.

K. McDonald (2012) “Do Personal Names in South Oscan show influence from Greek?” in T. Meißner (ed.), Personal Names in the Western Roman World, Studies in Classical and Comparative Onomastics 1, Berlijn, pp. 41-58.

Coverfoto: © The Trustees of the British Museum (CC BY-NC-SA 4.0)

Het bericht Oskisch: What’s in a name? van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/31/05/2018/oskisch-whats-in-a-name/feed/ 0 890
Acteurs in de lobby: hoe een artiestenvereniging de keizerlijke besluitvorming beïnvloedde https://www.oudegeschiedenis.be/27/04/2018/acteurs-in-de-lobby-hoe-een-artiestenvereniging-de-keizerlijke-besluitvorming-beinvloedde/ https://www.oudegeschiedenis.be/27/04/2018/acteurs-in-de-lobby-hoe-een-artiestenvereniging-de-keizerlijke-besluitvorming-beinvloedde/#respond Fri, 27 Apr 2018 15:41:46 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=858

Dit verhaal is gebaseerd op inscripties die gemaakt zijn voor of door de thymelische synode, de "internationale" artiestenvereniging van het Romeinse Rijk. Ook de atleten hadden zo’n vereniging, die de xystische synode genoemd werd. De twee verenigingen stonden in voor de professionele belangen van de artiesten en atleten die bij hen aangesloten waren. Daar hoorde ook lobbywerk bij: hun uitstekende contacten aan het keizerlijke hof leverden hen heel wat voordelen op.

Het bericht Acteurs in de lobby: hoe een artiestenvereniging de keizerlijke besluitvorming beïnvloedde van Bram Fauconnier verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Dit verhaal is gebaseerd op inscripties die gemaakt zijn voor of door de thymelische synode, de “internationale” artiestenvereniging van het Romeinse Rijk. Ook de atleten hadden zo’n vereniging, die de xystische synode genoemd werd. De twee verenigingen stonden in voor de professionele belangen van de artiesten en atleten die bij hen aangesloten waren. Daar hoorde ook lobbywerk bij: hun uitstekende contacten aan het keizerlijke hof leverden hen heel wat voordelen op.

Klein Azië, ergens in de jaren 120 n.C.

Na een lange dagreis nadert een bonte groep mannen de stad Milete. Veilig opgeborgen in karren bevinden zich hun kostbaarste bezittingen: geen geldkisten of exotische handelswaren, maar muziekinstrumenten, maskers en kostuums. De mannen zijn acteurs, dichters en muzikanten, die doorheen het Romeinse Rijk op tournee zijn om deel te nemen aan de agones, prestigieuze atletische en artistieke wedstrijden die tijdens religieuze festivals georganiseerd worden. In de 2de eeuw n.C. zijn er honderden van zulke festivals. Elke zichzelf respecterende Griekse stad, of die nu in Italië, Griekenland, Azië, Syrië of Egypte gelegen is, organiseert er wel een. De grote en rijke steden kunnen opscheppen met een hele reeks van indrukwekkende agones en gaan graag met elkaar in concurrentie om de beroemdste atleten en artiesten aan te trekken.

De mannen die Milete naderen zijn niet zomaar entertainers. Zelf verafschuwen zij dat woord: zij zien zich in de eerste plaats als gevierde wedstrijddeelnemers die elkaar bekampen op het podium ter meerdere eer en glorie van de goden – en van zichzelf natuurlijk. Dat dit eervolle tijdverdrijf ook een aardige som geld opbrengt, is natuurlijk mooi meegenomen. Steden loven aantrekkelijke prijzen uit, niet alleen voor de winnaars, maar ook voor de artiesten die de tweede en derde plaats behalen. Wanneer een artiest een van de grote, prestigieuze festivals wint, een zogenaamde heilige agon, krijgt hij er nog een mooi maandelijks bedrag van zijn thuisstad bovenop. Op die manier kunnen topartiesten doorheen hun carrière een fortuin vergaren waar de gemiddelde entertainer slechts van kan dromen.

De artiesten die nu door de poorten van Milete trekken, wacht echter een onaangename verrassing. Het festival waarvoor zij gekomen zijn, is op de valreep afgelast door de stedelijke autoriteiten. De stadssecretaris verklaart dat het geld dat voorbestemd was voor het festival, beter gebruikt kon worden om een nieuwe fontein te bouwen, en dat ze het volgende jaar maar terug moesten komen wanneer de grote Didymeia op het programma staan. De artiesten kunnen wel vloeken: hun reis naar Milete is een investering geweest die nu geen enkele winst meer kan opleveren! Milete is geen alleenstaand geval. Onlangs heeft Chios een andere theatergroep hetzelfde gelapt.

De artiesten besluiten dat het genoeg is geweest. Zij protesteren bij de aanvoerder van het gezelschap, de komedieacteur Theophrastos. Behalve acteur is de man ook archont, uitvoerend beambte van de internationale artiestenbond die beter bekend staat als de thymelische synode. Het is de taak van de synode om de professionele belangen van de artiesten te verdedigen. Theophrastos bundelt de klachten in een brief en geeft die door aan een secretaris van de synode die op het punt staat om per schip naar Rome af te reizen.

De archont Theophrastos duikt op in een inscriptie uit Aphrodisias, die een eredecreet van de synode bevat

Rome, rond 130 n.C.

Keizer Hadrianus ondersteunde de artiestenvereniging met een brief waarin hij de wanpraktijken aanpakte

Grote drukte in het hoofdkwartier van de thymelische synode in de theaterwijk op de Campus Martius. Een van de hogepriesters van de synode is net terug van zijn audiëntie bij keizer Hadrianus op de Palatijn. Het heeft hem weinig moeite gekost om bij de keizer een luisterend oor te vinden. Als persoonlijke vriend van de keizer is hij namelijk een welkome gast aan het hof. De hogepriester sprak met Hadrianus over de vele problemen waar rondreizende artiesten mee kampen. Wedstrijden worden geannuleerd, corrupte organisatoren steken geld in eigen zak, wedstrijdregels worden met de voeten getreden. De keizer beloofde te wanpraktijken snel aan te pakken.

Napels, 134 n.C.

Na een laatste overleg met beambten van de synode verzegelt Hadrianus een brief met zijn beslissingen:

Ik beveel dat alle wedstrijden gehouden worden, en dat het een stad niet toegestaan is om fondsen van een wedstrijd naar andere kostenposten over te hevelen, noch sta ik toe dat prijzengeld voor het optrekken van gebouwen gebruikt wordt … Ik heb Chios en Milete geschreven dat zij jullie de wedstrijd teruggeven die zij hebben afgelast.

De keizer neemt nog een reeks andere beslissingen, allen ten voordele van de rondreizende artiesten. De thymelische synode, die de professionele belangen van haar leden over het hele Romeinse Rijk vertegenwoordigt, heeft haar werk gedaan.

Meer lezen?

De brief van Hadrianus aan de thymelische synode, die in 2004 gevonden werd in de stad Alexandria Troas, geeft ons een unieke kijk achter de schermen van de Grieks-Romeinse festivalwereld en op het lobbywerk van de verenigingen. De Griekse tekst en een Engelse vertaling is hier en op de website Ancient Olympics van KU Leuven te vinden.

De goede contacten van de thymelische synode aan het keizerlijke hof komen duidelijk naar voor in de ereinscriptie voor Titus Aelius Alkibiades, de zoon van de kamerheer van Hadrianus.

FAUCONNIER, B., Ecumenical Synods. The Associations of Athletes and Artists in the Roman Empire, ongepubliceerde doctoraatsverhandeling, Amsterdam, 2018.

FAUCONNIER, B., ‘The Organisation of Synods of Competitors in the Roman Empire’, Historia: Zeitschrift für Alte Geschichte 66.4 (2017), p. 442-467.

SLATER, W. J., ‘Hadrian’s Letters to the Athletes and Dionysiac Artists Concerning Arrangements for the ‘Circuit’ of Games’, Journal of Roman Archaeology 21 (2008), p. 610-620.

VAN NIJF, O.M., ‘Global Players: Athletes and Performers in the Hellenistic and Roman World.’ Hephaistos 24 (2006), p. 225-35.

Coverfoto: schilderij ‘Apollo & Marsyas’ (Michelangelo Anselmi) vanop Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Acteurs in de lobby: hoe een artiestenvereniging de keizerlijke besluitvorming beïnvloedde van Bram Fauconnier verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/27/04/2018/acteurs-in-de-lobby-hoe-een-artiestenvereniging-de-keizerlijke-besluitvorming-beinvloedde/feed/ 0 858
Pompeï, waar de liefde zoet is, maar de lust regeert https://www.oudegeschiedenis.be/14/12/2017/pompei-liefde-zoet-is-lust-regeert/ https://www.oudegeschiedenis.be/14/12/2017/pompei-liefde-zoet-is-lust-regeert/#respond Thu, 14 Dec 2017 14:26:23 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=375

De herontdekking van Pompeï, de provinciestad die in 79 n.C. bedolven werd door de uitbarsting van de Vesuvius, en de spectaculaire vondsten maakten in heel Europa een groot enthousiasme voor de Oudheid los. Onze antieke reisgids neemt je mee naar het dagelijks leven in deze vaste stopplaats op de 'Grand Tour'.

Het bericht Pompeï, waar de liefde zoet is, maar de lust regeert van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Het Italië van de late Republiek en de vroege Keizertijd roept vaak het beeld op van verheven redenaars die plechtig staan te declameren in met onberispelijk wit marmer versierde steden. Wie over het Forum Romanum wandelt, of Cicero ter hand neemt, krijgt inderdaad deze indruk. Ook de keurige achttiende- en negentiende-eeuwse historici geloofden erg in dit geïdealiseerde beeld van de Romeinse beschaving. De herontdekking van Pompeï, de provinciestad die in 79 n.C. bedolven werd door de uitbarsting van de Vesuvius, maakte abrupt een einde aan deze illusies. De spectaculaire vondsten maakten in heel Europa een groot enthousiasme voor de Oudheid los, en Pompeï werd een vaste stopplaats op de ‘Grand Tour’ (die goede oude tijd toen twintigers hun opleiding op reis genoten en niet in de aula), maar niet alle ontdekkingen werden op evenveel gejuich onthaald.

Straat met opstapstenen in Pompeï

De goed bewaarde huizen, winkels, tavernes en tempels bleken namelijk onder de graffiti te zitten, achtergelaten door gewone Romeinen. Deze boodschappen, geschilderd op of gekerfd in binnen- en buitenmuren, spreken rechtstreeks tot de moderne mens. Alleen blijken ze allesbehalve verheven. Naast advertenties, aankondigingen en graffiti van het type “Marcus was hier”, wemelt het in Pompeï namelijk van de beledigingen, scatologische leuzen en expliciete seksuele afbeeldingen. Sommige van deze graffiti en fresco’s bleken zo aanstootgevend dat ze opnieuw overpleisterd werden en pas recent weer aan het licht kwamen.

Graffiti in het Teatro Piccolo

Vandaag kunnen we de schat aan informatie over de dagelijkse leefwereld van de modale Romein beter naar waarde schatten. Ook het brede publiek geraakt meer en meer vertrouwd met hoe het er in het dagelijkse Romeinse leven aan toe ging, dankzij tv-series als Rome die er niet voor terugdeinzen om het oude Rome in al haar ruwheid ten toon te spreiden. Hieronder volgt een greep uit het fascinerende materiaal dat Pompeï rijk is. In totaal werden er meer dan 10 000 teksten teruggevonden. Al in de Oudheid schreef iemand:

“Het verbaast me, muur, dat je nog niet ingestort bent; jij, die zoveel geleuter van schrijvers moet dragen.”

Verkiezingen: politieke slogans en fake news

Hoewel het Romeinse rijk zeker geen democratie in de moderne zin was, vonden er in de steden jaarlijks lokale verkiezingen plaats. En bij verkiezingen horen campagnes, dat was in de Oudheid niet anders. In Pompeï nam dit de vorm aan van publieke aanbevelingen door derden, omdat het kandidaten verboden was actief campagne te voeren. In grote rode of zwarte letters schreven professionals namens inwoners van de stad dat ze deze of gene kandidaat steunden voor een bepaalde functie, bijvoorbeeld “omdat hij een goede man is” of “omdat hij het ambt waard is”. Deze mensen waren vaak familieleden, buren of cliënten van de kandidaat; maar ook invloedrijke beroepsgroepen of cultusgemeenschappen, zoals de Isis-vereerders, maakten hun voorkeur wereldkundig. De ’toeschouwers bij de spelen’ steunden dan weer een zekere Priscus, die allicht in het verleden spelen liet organiseren of waarvan men hoopte dat hij het zou doen.

Verkiezingspropaganda op de muren van Pompeï

Hoewel kandidaten zelf geen actieve campagne mochten voeren, zien we in sommige gevallen ook verkiezingsbeloftes, overgebracht door hun aanhangers: zo zal Gaius Julius Polybius “goed brood brengen” en Brutius Balbus “de publieke kas redden”. Het campagneteam van Polybius bleek trouwens bijzonder actief: er zijn niet minder dan 58 programmata in zijn naam teruggevonden. Of de kandidaten zich uiteindelijk aan hun beloftes hielden, zullen we nooit weten. Maar niets menselijks was de Pompeianen vreemd, dus vermoedelijk ook niet het breken van verkiezingsbeloftes. De inwoners van de stad hadden trouwens hun eigen idee over wat er met de stadsinkomsten moest gebeuren: “Ik vind dat de gemeentekas verdeeld moet worden, want onze kas heeft groot geld”.

Ook het verspreiden van ‘fake news’, bijzonder actueel, was een gangbare praktijk in de Pompeiaanse verkiezingsstrijd. Dit is althans een mogelijke interpretatie van de verkiezingsaanbevelingen door sociaal minder wenselijke groepen. Wat te denken van de steun van “degenen die tot laat in de nacht doordrinken”, “de dieven” of “de voortvluchtige slaven”? Waarschijnlijk werden deze boodschappen achtergelaten door tegenkandidaten of hun aanhangers. Op de man spelen blijkt dus een universele politieke strategie.

De zoete, maar vooral vleselijke liefde

Fresco uit het huis van Venus & Mars

Nog zo’n universele bekommernis is de liefde. Tweeduizend jaar later kunnen we ons nog perfect herkennen in de gevoelens, verlangens en frustraties van de Pompeianen. De bekendste graffiti uit Pompeï zijn dan ook degene die de liefdesperikelen van haar inwoners verhalen. Sommige van die boodschappen zijn heel eenvoudig, zoals “Rufus houdt van Cornelia Helena” of “Daphnicus was hier met zijn Felicula“. Anderen kalkten heuse poëzie neer, inclusief metrum: “Leve al wie liefheeft! Weg met hem, die het liefhebben niet kent! En wie het liefhebben verbiedt, dubbel weg ermee!” Bijzonder mooi is het relaas van een meisje dat ongeduldig is om haar geliefde te zien. Wie zei er dat Romeinen niet romantisch konden zijn?

“Als jij het vuur van de liefde voelde branden, ezeldrijver, dan zou je je wel harder haasten om Venus te zien. Ik ben verliefd op een charmante jongen. Komaan, spoor de ezels aan, ik smeek je. Je hebt al gedronken, komaan! Grijp de teugels en sla erop. Breng me naar Pompeï, waar de liefde zoet is.”

Pompeï’s muren waren ook getuige van onbeantwoorde liefde: “Wrede Lalagus, die mij niet liefheeft” of “Marcellus houdt van Praenestina, maar het kan haar niets schelen.” Poëtischer uitgedrukt wordt dat “Geliefden zijn als bijen: ze leiden een honingzoet leven. Ik zou het willen!” Een bijzonder teleurgestelde geliefde verklaart “de ribben van Venus te willen breken”, want “als zij mijn tere borst kan doorboren, waarom kan ik dan niet haar hoofd inslaan met een knuppel”.

Fresco met een erotische scène

De liefde kon in Pompeï dan wel zoet zijn, de uitdrukking ervan gebeurde toch vooral in vleselijke termen. Wie in Napels reeds het ‘gabinetto segreto’ bezocht, weet dat de Pompeianen wel van wanten wisten. Literaire meesterwerken als “Amplicatus, Icarus naait je in de kont” (2375) of “Methe zuigt” (4434) zouden niet misstaan op een 21ste-eeuwse wc-deur. Ook de boodschap “Spes, mooi van karakter, 8 as” laat weinig aan de verbeelding over. Overigens kon men in de eerste eeuw voor 8 as nauwelijks meer dan enkele broden kopen, dus ook anderen als “goedkoop” bestempelen is van alle tijden. We vernemen ook dat Iucundus “slecht wipt” en dat Euplia “het deed met tweeduizend mooie mannen”. De gladiator Celadus is niet alleen trots op zijn overwinningen in de arena: hij benadrukt in vijf verschillende graffiti hoezeer “de meisjes om hem zuchten” en dat hij de “meester van de meisjes” is.

Een deel van deze teksten werd in de buurt van het bordeel aangetroffen, maar eigenlijk is de hele stad bedekt met dit soort obsceniteiten. Denk daar maar eens aan bij uw volgende bezoek aan Romeinse ruïnes! Reactie tegen al deze schunnigheid bleef ook in de Oudheid niet uit. Iemand liet de toepasselijke boodschap “Sodom Gomora” achter. In het zogenaamde huis van de moralist lezen we dan weer: “Houd je wellustige expressies en je verleidelijke oogjes weg van andermans vrouw; laat de gepaste zedigheid op je gelaat te vinden zijn!”

Voor sfeer en gezelligheid, een vijf

De Romeinen in Pompeï hadden geen TripAdvisor of Yelp, maar dat weerhield hen er niet van hun mening achter te laten, op een zeer directe manier. Zo liet de schatbewaarder van keizer Nero de boodschap “Vergif!” achter, waarschijnlijk verwijzend naar het geserveerde eten. Ook de Pompeiaanse drank moest het ontgelden: “Reiziger, in Pompeï eet je brood, maar drinken doe je in Nuceria!” Nuceria was een ander stadje in Campania, dat een levendige rivaliteit met Pompeï uitvocht. Zo’n twintig jaar voor de Vesuvius de regio onder de as bedolf, vond er een serieus incident plaats in het amfitheater van Pompeï. Tacitus vertelt ons dat het over en weer scanderen van beledigende leuzen (“typisch voor zulke wanordelijke provinciesteden”) danig uit de hand liep: al snel begon men met stenen te gooien en uiteindelijk werden er zelfs zwaarden getrokken, met vele gewonden en zelfs doden tot gevolg. Ook hooliganisme is dus van alle tijden.

Thermopolium van Asellina, een restaurant waar kant-en-klare maaltijden konden worden gekocht

Ook niet-Nucerianen klaagden wel eens over de kwaliteit van de drank. Zo kraste een bezoeker van een herberg: “Hopelijk komen je leugens je duur te staan, waard. Je verkoopt water en drinkt zelf onversneden wijn!” Andere Pompeiaanse aanbevelingen vinden we vandaag minder snel op TripAdvisor terug, bijvoorbeeld “Vraag in Nuceria bij de Romeinse Poort in het district van Venus (de prostitutiebuurt) naar Novellia Primigenia.” Een bordeelbezoeker treedt hem bij: “Phoebus, parfumhandelaar, heeft hier uitstekend geneukt.” ‘Excusez le mot‘, maar Romeinen waren nu eenmaal niet zo fijnzinnig, noch politiek correct.

Reisadvies voor Pompeï

Hopelijk laat deze kennismaking met de modale Romeinen u, lezer, niet al te gedesillusioneerd achter. Ze blijken in grote mate dezelfde bezorgdheden gedeeld te hebben als wij: de liefde, verkiezingen, een dak boven het hoofd, voedsel en drank. Ze drukten deze wel in iets explicietere termen uit dan we vandaag gewoon zijn. Maar misschien moeten we niet al te streng zijn. Tenslotte, welk beeld zou een toekomstige archeologe of historicus zich vormen van onze maatschappij, louter gebaseerd op graffiti en andere snelle krabbels?

De graffiti uit Pompeï, nu eens humoristisch, soms ontroerend, maar steevast interessant, vormen een ware goudmijn voor historici en linguïsten. Maar ze laten ons ook op onze honger zitten. We vangen slechts een kleine glimp op van het leven van deze mensen. Leefden Rufus en Cornelia nog lang en gelukkig? Vond die arme Marcellus uiteindelijk de liefde? En kreeg de eigenaar van de verdwenen bronzen pot, waar hij een beloning voor uitloofde, zijn bezit ooit terug? We zullen het nooit weten, maar laat dat ons er niet van weerhouden te genieten van deze momentopnames uit het Romeinse leven.

Wie niet genoeg kan krijgen van de graffiti uit Pompeï, kan zeker zijn gading vinden bij Vincent Hunink, ‘Bedolven door de Vesuvius: Pompeï in 1000 graffiti’ of op de website van Pompeiana.

Coverfoto: adaptatie van de foto ‘Ruins of Pompeii with the Vesuvius’ van ElfQrin op Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

Het bericht Pompeï, waar de liefde zoet is, maar de lust regeert van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/14/12/2017/pompei-liefde-zoet-is-lust-regeert/feed/ 0 375
“U die voorbijgaat… denk aan ons”: Romeinse grafopschriften onder de loep https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2017/u-die-voorbijgaat-denk-aan-ons-romeinse-grafopschriften-onder-de-loep/ https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2017/u-die-voorbijgaat-denk-aan-ons-romeinse-grafopschriften-onder-de-loep/#comments Tue, 31 Oct 2017 12:59:34 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=334 sarcophagus_AM_Agrigento

Grafmonumenten in alle vormen en maten, in de meeste gevallen vergezeld van een opschrift met informatie over de overledene, werden opgericht doorheen het hele Romeinse Rijk. Geen betere gelegenheid dan Allerzielen om Romeinse grafopschriften onder de loep te nemen.

Het bericht “U die voorbijgaat… denk aan ons”: Romeinse grafopschriften onder de loep van Sofie Waebens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
sarcophagus_AM_Agrigento

Monumentum est quod memoriae servandae gratia existat (D 11.7.2.6).

“Een monument is bestemd om een herinnering te bewaren.”

Grafmonumenten in alle vormen en maten, in de meeste gevallen vergezeld van een opschrift met informatie over de overledene, werden opgericht doorheen het hele Romeinse Rijk. Zoals blijkt uit bovenstaand citaat uit de Digesta (een verzameling geschriften van Romeinse rechtsgeleerden), waren deze monumenten bedoeld om de herinnering aan de overledene levend te houden – met succes, gezien het grote aantal grafopschriften dat tot op vandaag bewaard is gebleven. Ze gunnen ons een blik in het leven van machtige leden van de keizerlijke familie, rijke senatoren en generaals, hardwerkende handelaars en middenstanders, jong gestorven kinderen, troetelslaven en zelfs huisdieren. Maar speelden nog andere motieven een rol bij het oprichten van grafmonumenten, afgezien van de wens de nagedachtenis van de overledene te laten vereeuwigen in steen? Geen betere gelegenheid dan Allerzielen om dieper in te gaan op deze vraag en Romeinse grafopschriften onder de loep te nemen.

Levend in steen

Gezien het belang dat de Romeinen hechtten aan het voortleven van de herinnering (memoria) aan de overledene, werden grafmonumenten opgericht op goed zichtbare en druk bezochte plaatsen – weliswaar buiten de stad, want het was verboden om overledenen te begraven binnen de stadsmuren. Necropolen bevonden zich daarom bij de stadspoorten en langs toegangswegen. Het bekendste voorbeeld is de Via Appia, de “koningin der wegen”, die vanuit de hoofdstad Rome naar Brindisi in Zuid-Italië leidde en waarlangs nog restanten van talloze indrukwekkende graftombes te vinden zijn. De zoektocht naar een geschikte locatie was echter geen sinecure, zoals blijkt uit de correspondentie (een brief naar zijn goede vriend Atticus) van Marcus Tullius Cicero, de bekende redenaar, die na de dood van zijn geliefde dochter Tullia in 45 voor Christus een schrijn voor haar wilde laten oprichten en daarvoor kosten noch moeite spaarde (Att. 12-13). Necropolen waren dus allerminst doodse en verlaten plaatsen, zeker niet omdat de Romeinen geloofden dat de geest van de overledene voortleefde in zijn graf. Na de begrafenis werd bij het graf een banket ter ere van de overledene gehouden (het silicernium), en familieleden en vrienden brachten daarnaast ook op vaste tijdstippen (bijvoorbeeld op de verjaardag van de overledene) een bezoek aan het graf, waarbij ze eten en drank achterlieten. Op feestdagen werden ook ter plaatse banketten voorzien, mogelijk in aanwezigheid van de overledene, wat zou verklaren waarom vele overledenen liggend op een aanligbed aan een banket (‘Totenmahl‘) werden afgebeeld.

CIL XIII, 08818

Totenmahl, CIL XIII, 08818 © Corpus Inscriptionum Latinarum – BBAW

“Voorbijganger, hier ben ik!”

Maar niet alleen aan de locatie, ook aan het monument zelf werd veel zorg besteed, want publieke erkenning speelde een belangrijke rol in het voortbestaan van de herinnering aan de overledene. Grafmonumenten wedijverden daarom met elkaar om de aandacht van voorbijgangers te trekken, met soms zeer imposante bouwsels tot gevolg, zoals de piramide van Cestius, een belangrijke magistraat die gefascineerd was door Egypte en daarom in zijn testament liet opnemen dat na zijn dood een grafmonument in de vorm van een piramide moest worden gebouwd in de buurt van Rome. Volgens een inscriptie duurde de bouw 330 dagen en werd het werk, zoals opgedragen bij testament, uitgevoerd door zijn erfgenamen en zijn vrijgemaakte slaaf (Corpus Inscriptionum Latinarum CIL VI 1374). Niet iedereen beschikte natuurlijk over dezelfde middelen, maar er waren talloze andere manieren om voorbijgangers te lokken, zoals de aanwezigheid van stenen banken (onder meer aangetroffen in Pompeï) en opschriften gericht aan voorbijgangers, hen vragend stil te staan en het leven van de overledene te gedenken, want “wat wij zijn zult u ook zijn, en wij waren ooit wat u nu bent” (CLE 799, 1ste eeuw voor Christus).

Het graf als statussymbool

Het belang van grafmonumenten ging echter nog dieper dan enkel het verlangen om het leven – en met name de verdiensten – van de overledene te laten vastleggen voor latere generaties, want het streven naar het verkrijgen, en vooral ook behouden, van publieke erkenning en sociaal aanzien kenmerkte in toenemende mate de Romeinse samenleving vanaf de late Republiek. Monumenten werden daarom soms al bij leven opgericht (vivus fecit), en erfgenamen werd bij testament opgedragen om een graf en monument te voorzien dat de status en rijkdom van de overledene weerspiegelde. Deze instructies konden zeer gedetaileerd zijn: in PetroniusSatyricon, een politieke satire daterend uit de eerste eeuw na Christus, wordt de draak gestoken met de rijke Trimalchio, een voormalige slaaf, die tijdens een feestmaal (en na de nodige glazen wijn) een kopie van zijn testament bovenhaalt en laat voorlezen hoe zijn monument er moet uitzien, inclusief schepen met volle zeilen, hemzelf, zittend op een podium, terwijl hij munten rondstrooit, zijn vrouw Fortunata, afgebeeld met een duif in de hand en een hondje aan de riem, zijn troetelslaaf, grote amforen en een zonnewijzer (71). Het komt dan ook als geen verrassing dat vooral sociale nieuwkomers zoals ridders en vrijgelaten slaven sterk vertegenwoordigd zijn in grafopschriften. Maar grafmonumenten werden niet alleen als sociale vehikels gebruikt door de overledene: ook hun erfgenamen maakten dankbaar gebruik van de publieke zichtbaarheid die grafmonumenten boden, want in opschriften vinden we niet alleen informatie over de overledene, maar ook over de oprichter. Op sommige monumenten wordt de oprichter zelfs eerst vermeld, gevolgd door een overzicht van zijn eigen illustere carrière.

Voor de allerliefste…

Ondanks het feit dat de meeste grafopschriften behoorlijk gestandaardiseerd opgesteld waren, beginnend met de aanroeping van de geest van de overledene, gevolgd door diens naam, beroep, carrièrehoogtepunten en leeftijd, en eindigend met informatie over het graf of de oprichter, zijn er ook enkele bijzonder ontroerende opschriften overgeleverd, waaruit duidelijk de smart en rouw van de nabestaanden blijkt. Het meest gekende voorbeeld is de Laudatio Turiae, een deels bewaard epigram van een echtgenoot voor zijn geliefde overleden vrouw, waarin haar moed en haar toewijding geprezen wordt. Daarnaast bestonden ook opschriften die eerder filosofisch van aard waren, zoals blijkt uit enkele regels uit het opschrift van Tiberius Claudius Secundus uit Pompeï: “De baden, de wijn en de liefde richten ons lichaam te gronde, maar de baden, de wijn en de liefde maken ook het leven” (CIL VI 15258). En opschriften waren ook niet verstoken van humor, zoals blijkt uit volgende dialoog op de grafsteen van een herbergier genaamd “Meneer Erotiek”, gevonden nabij Pompeï. Het bijhorende reliëf toont een reiziger met een muilezel aan de hand, die afrekent bij een herbergier, vermoedelijk Eroticus:

CIL IX 2689

CIL IX 2689 © Corpus Inscriptionum Latinarum – BBAW

“Lucius Calidius Eroticus heeft bij leven voor zichzelf en zijn vrouw Fannia Voluptas [deze steen] gemaakt. “Herbergier, laten we afrekenen: je hebt wijn: 1/6 as (ongeveer 0,5 liter); brood: 1 as, maaltijd: 2 as.” “Dat klopt.” “Een meisje: 8 as.” “Dat klopt ook.” “Hooi voor de muilezel: 2 as.” “Die muilezel zal me nog eens te gronde richten!” (CIL IX 2689).

Dit was uiteraard slechts een kleine greep uit het overweldigende aanbod van grafopschriften, maar voor wie graag zelf op ontdekking gaat in de wereld van de Romeinse epigrafie, voorzien we onderstaande mini-gids. Vale viator! Maar grafschenners, let op: “opto ei cum dolore corporis longo tempore vivat et cum mortuus fuerit, inferi eum non recipiant”… (“ik wens hem (= de grafschender) een door pijn verscheurd lichaam zolang hij leeft en wanneer hij dood zal zijn dat de goden van de onderwereld hem niet ontvangen”).

[Meest gebruikelijke afkortingen]

 DM  Dis Manibus  aan de goden van de onderwereld
 F  filius of filia  zoon of dochter
 VIX  vixit  heeft geleefd
 ANN  annis of annos  jaren
 FC  faciendum curavit  hij heeft (deze steen) laten maken
 H  heres  erfgenaam
 HFC  heres faciendum curavit  de erfgenaam heeft (deze steen) laten maken
 EX T  ex testamento  bij testament
 DSP  de sua pecunia  uit eigen zak
 V F  vivus fecit  hij heeft bij leven (deze steen) laten maken
 HSE  hic situs est  hier ligt de overledene
 BM  bene merenti  welverdiend

Selecte bibliografie

H. Devijver, ‘Een sociogram van Tacitus’ en Plinius’ maatschappij’, in Kleio 14 (1984), p. 101-126.

V. Hunink, Levend in steen. Romeinse grafinscripties, Budel, 2007.

J. de Jong, ‘Maatregelen tegen memoria. Belang en betekenis van herinnering en herinneringsstraffen in de Romeinse vroege Keizertijd’, in Groniek 203 (2014), p. 129-146.

G. Woolf, ‘Monumental Writing and the Expansion of Roman Society in the Early Empire’, in Journal of Roman Studies 86 (1996), p. 22-39.

Coverfoto: adaptatie van de foto ‘Sarcophagus, marble, mourning for child’ van Zde op Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

Het bericht “U die voorbijgaat… denk aan ons”: Romeinse grafopschriften onder de loep van Sofie Waebens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2017/u-die-voorbijgaat-denk-aan-ons-romeinse-grafopschriften-onder-de-loep/feed/ 1 334