archeologie Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/category/archeologie/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 05 Feb 2023 23:17:00 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0.1 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png archeologie Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/category/archeologie/ 32 32 136391722 “Een volk van bij ons?”: het grondgebied van de Menapii in Gallia Belgica https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2023/een-volk-van-bij-ons-het-grondgebied-van-de-menapii-in-gallia-belgica/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2023/een-volk-van-bij-ons-het-grondgebied-van-de-menapii-in-gallia-belgica/#respond Sun, 05 Feb 2023 18:24:53 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2379 Scène uit de één-reeks 'Het verhaal van Vlaanderen' met de uitroeping van de Menapiër Carausius als keizer

Wie tot voor kort nog nooit van de Menapiërs gehoord had, kan er nu niet meer omheen. In de Eén-reeks ‘Het verhaal van Vlaanderen’ noemt presentator Tom Waes hen meerdere keren, onder andere als geboorteplaats van de “West-Vlaamse” keizer Carausius. Zijn de Menapii werkelijk een volk “van bij ons”? In dit artikel onderzoeken we wat we over deze volksstam en hun grondgebied in Gallia Belgica weten.

Het bericht “Een volk van bij ons?”: het grondgebied van de Menapii in Gallia Belgica van Sien Demuynck verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Scène uit de één-reeks 'Het verhaal van Vlaanderen' met de uitroeping van de Menapiër Carausius als keizer

Wie tot voor kort nog nooit van de Menapiërs gehoord had, kan er nu niet meer omheen. In de Eén-reeks ‘Het verhaal van Vlaanderen’ noemt presentator Tom Waes hen meerdere keren. Hij besteedt ook veel aandacht aan “West-Vlaams” keizer Carausius, “iemand van bij ons”. Hoewel we die titel met een korrel zout moeten nemen, bewoonden de Menapiërs wel degelijk een deel van het huidige België. Maar wie waren die Menapiërs of Menapii precies en wat weten we over hun grondgebied?

Onderzoek

De voorbije decennia nam het aantal archeologische onderzoeken in Vlaanderen serieus toe. Dankzij de luchtfotografie en betere onderzoekstechnieken, kwamen meer en meer historische vindplaatsen aan het licht. De interesse voor de Menapiërs wakkerde aan. Het beeld van afgesloten gemeenschappen werd bijgesteld: de Menapische interactie met de Noordzee én het binnenland bleek veel uitgebreider dan tot nu toe gedacht.

Reconstructie van Gallische hoeve, mogelijk onderdeel van een Menapische nederzetting uit de tijd van Caesar

Eén element wordt in het nieuwe onderzoek echter nooit in vraag gesteld: de grenzen van het gebied van de Menapii, de civitas Menapiorum. De hypotheses hierover dateren uit de jaren 60 van de vorige eeuw. Ze werden later vrijwel algemeen aanvaard, maar dat blijkt problematisch, want onderzoekers als Siegfried De Laet en Pierre Leman baseerden zich grotendeels op Middeleeuwse bronnen, die we niet zomaar op de Oudheid mogen projecteren. Terug naar het begin dan maar, waarbij we alle mogelijke bronnen over de Menapii samenbrengen en het historisch onderzoek combineren met de archeologie, toponymie en een literatuurstudie. Die synthese leidt tot enkele opvallende vaststellingen en nieuwe inzichten.

Situering

Over het gebied van de Menapii komen we het meest te weten bij de antieke auteurs. Geen beschrijvingen van strakke grenzen, maar wel aanwijzingen voor een geografische situering. Caesar merkt in zijn De Bello Gallico meerdere keren op dat de Menapiërs zich terugtrokken in bossen en moerassen. Hij beschrijft ook hun samenwerking met de Morini, Nervii, Atuatuci en Eburones, de Gallische stammen die de Menapii omringden. Nog belangrijker echter: Caesar leert ons dat de Menapii oorspronkelijk de oevers van de Rijn bewoonden. Door aanhoudende druk van de Usipetes en Tencteri, trokken ze zich terug op de linkeroever en verder naar het zuiden. De Menapii zijn dus immigranten in het Noordzeegebied.

De Gallische stammen en steden, met de buren van de Menapiërs, ten tijde van Julius Caesar

Verder vermelden onder andere Orosius, Strabo en Tacitus de Menapii. Uit hun beschrijvingen weten we dat het Menapisch gebied aan de kust gelegen was. In het westen deelde het een grens met de Morini. Plinius (de Oudere) spreekt ook over de Schelde, een interessante demarcatielijn die later nog aan bod komt. Vanaf de monding van de Schelde woonden volgens hem eerst de Texuandri, dan de Menapii. De bonte variatie aan genoemde stammen en regio’s bij de verschillende auteurs is opvallend. Het mag duidelijk zijn dat het bestaan en het territorium van volkeren dynamisch en veranderlijk was doorheen de oudheid. De Menapii kunnen we op dit moment grofweg situeren in het huidige Noord-Frankrijk, West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen ten westen van de Schelde.

Menapische varkens

Het Menapische varken wordt vandaag ook terug gekweekt, dankzij een samenwerking tussen slagerij ‘Menapii’ en onderzoekers en archeologen van UGent

Zoals vermeld in ‘Het verhaal van Vlaanderen’ worden de Galliërs, en dan specifiek de Menapii, stevig gelinkt aan varkens. In de antieke bronnen vinden we die link terug bij Martialis (1e eeuw n.C.). Hij schrijft:

Cerretana mihi fiat vel missa licebit de Menapis: lauti de petasone vorent
“Laat ze me ham serveren uit het land van de Cerretani of stuur me ham van bij de Menapii: laat fijnproevers de ham verslinden” (Mart. XIII.54)

Blijkbaar was de Menapische ham een bekend product tot in de hoogste kringen en werd hij verhandeld naar Rome. Ook in het ‘Edict van Diocletianus‘ wordt ham van bij de Menapii vermeld. Het lijkt er zelfs op dat de benaming in de loop van de tijd een kwaliteitslabel is geworden. Varkens leven van nature in een bosrijk gebied, wat overeenkomt met de informatie die Caesar ons geeft. Om het vlees tot in Rome te krijgen, moet het goed bewaard kunnen worden én is een handelsnetwerk nodig. En laat dat nu net zijn wat we in een volgende bron lezen.

Zout en handelaars

Votiefaltaar uit Tongeren, waarop een inscriptie de Mun[icipium] Tung[rorum] vermeldt

In Tongeren werd een prachtig votiefaltaar met perfect bewaarde inscriptie opgegraven [TM 209480]. Daarop valt te lezen:

Aan de zeer goede en zeer grote Jupiter en aan de genius van de municipium van de Tungri, Catius Drusus, Menapisch salinator, heeft zijn belofte ingewilligd graag en wel verdiend.

Drusus noemt zichzelf een Menapische zouthandelaar (salinator Menapius), een titel  die we ook lezen in een grafinscriptie uit Rimini [TM 517527]. Naast varkensvlees, lijkt zout dus een belangrijk handelsproduct van de Menapiërs. Dat met die handel goed te verdienen was, bewijst het bewaarde votiefaltaar. Verder blijkt vooral uit de archeologische vondsten dat er een levendige handel bestond zowel tussen de Menapische nederzettingen onderling als met het grotere Romeinse Rijk.

Romeins kader

We weten nu dat de Menapii migreerden van de oevers van de Rijn naar zuidelijker gelegen gebied. Met de komst van Caesar werd de hele regio onder Romeins gezag geplaatst. Hoe sterk de Romeinse invloed lokaal was, is moeilijk te achterhalen. We zien wel dat Menapische handelaars binnen het Rijk rondtrekken met ham en zout en zich uitdrukken in Romeinse inscripties. En er is nog een manier waarop de Menapii zich in het Romeinse kader inpassen: het leger.

De oudste epigrafische vermelding van de Menapii is ook de oudste attestatie van een Menapiër  in het Romeinse leger. Het gaat om het grafopschrift van Adiutor, daterend uit de tweede helft van de 1ste eeuw n.C. en gevonden in Aquileia. Het opschrift vermeldt expliciet de Menapische afkomst van Adiutor en zijn statuut als lid van de civitas Menapiorum. Adiutor maakte deel uit van de cohors I Pannoniorum.

Een militair diploma waarop de ‘cohors I Menapiorum’ vermeld staat

Militaire diploma’s wijzen ook op het bestaan van een Menapische cohorte. Op maar liefst drie exemplaren van zulke diplomata krijgen we een schriftelijk bewijs van de cohors I Menapiorum, gestationeerd in Britannia aan het begin van de 2de eeuw n.C. Daarnaast is er ook de Notitia dignitatum, een administratief werk opgesteld tussen 395 en 430 n.C. Die vermeldt militaire eenheden met het ethnicon ‘Menapii in Thracië en in het westen van het rijk.

Tot slot vinden we ook sporen van die militaire eenheid in het westen. In de ruime omgeving van de Rijn zijn op Romeinse gebakken dakpannen (tegula) militaire stempels teruggevonden die verwijzen naar de Menapii. Het gaat om stempels die allemaal geplaatst zijn in het jaar 369 n.C. in Tabernae, het huidige Rheinzabern, in de provincia Germania Superior. Tabernae viel in de Oudheid onder het gezag van de dux Mogontiacensis, net zoals de Menapische eenheid die vermeld wordt in de Notitia dignitatum.

Nederzettingen

De nederzettingen in het Menapisch gebied kunnen we langs twee wegen bestuderen: aan de hand van antieke reiskaarten enerzijds en op basis van de archeologie anderzijds. De antieke itineraria tonen ons duidelijk de belangrijkste steden en routes. Deze zijn later van belang in het bepalen van de grenzen van het Menapisch gebied.

Antieke wegenkaarten

Voor de Romeinse tijd kunnen we terugvallen op drie geschreven bronnen: het Itinerarium provinciarum Antonini Augusti, de Tabula Peutingeriana en de Notitia Galliarum. Elk afzonderlijk hier bespreken zou ons te ver leiden, daarom houden we het bij een korte samenvatting. In de routebeschrijvingen komen verschillende steden uit Gallia Belgica meermaals voor; die kunnen we als knooppunten beschouwen.

Castellum (Cassel), de hoofdstad van de Menapii, komt voor in drie routes in het Itinerarium:

  1. als tussenstop in de route van Gesoriacum (Boulogne-sur-mer) naar Bagacum (Bavay)
  2. als vertrekpunt van de route naar Turnacum (Tournai of Doornik)
  3. als vertrekpunt van de route naar Colonia (Keulen)

Het Menapisch gebied zoals afgebeeld op de Peutingerkaart

Andere duidelijk aanwezige nederzettingen zijn Viroviacum (Wervik), Pontes Caldis (Escautpont) en Minariacum (Estaires of Stegers). Het valt op dat de grote wegen zich vooral in het zuiden van Gallia Belgica bevinden. Noordelijker, in het huidige Vlaanderen, zullen lokale wegen en waterwegen de overhand gehad hebben. In elk geval is het duidelijk dat de nederzettingen, ook in het Menapisch gebied, wel degelijk met elkaar in contact stonden.

De ‘Mijlpaal van Tongeren’ of ‘Itinerarium van Tongeren’ met daarop de afstanden tussen plaatsen uit Gallia Belgica, Germania Inferior en Germania Superior

Een uitzonderlijk interessante epigrafische bron is de mijlpaal van Tongeren [TM 209478]. Deze achthoekige steen werd gevonden in Tongeren rond 1820 en was vermoedelijk opgesteld op het forum van Atuatuca Tungrorum. Ze is op drie zijden beschreven met plaatsnamen in Gallia Belgica, Germania Inferior en Germania Superior en de afstanden ertussen. Op basis van de taal en het gebruik van leugae als maateenheid dateert de steen vermoedelijk uit het eerste kwart van de 3de eeuw n.C. Interessant voor dit onderzoek is de vermelding van Castellum Menapiorum mét afstand tot ‘Fines Atrabatium’, de grens of het gebied van de Atrebates. Dit is de enige bekende antieke bron die mogelijk verwijst naar een grens tussen de Menapii en deze Keltische stam.

Maar waar ligt die grens nu? Helaas, daarover is onenigheid. Het is zelfs niet helemaal duidelijk of de vermelding naar een specifieke plaats of eerder naar een ruimer gebied verwijst. De bron, de mijlpaal van Tongeren, leert ons dat de ‘Fines Atrebatium‘ op 14 leugae (ca. 30,8 km) van Cassel ligt, in de richting van Nemetacum (Arras). Omdat een reiziger tussen beide steden wel degelijk een grens moet oversteken, hechtten historici toch enorm veel belang aan de vermelding van ‘Fines Atrebatium‘ als plaats.

Voor de locatie van die plaats zijn ook verschillende opties gegeven. Zo is de nederzetting Minariacum een veel beschreven mogelijkheid, hoewel deze plek slechts ongeveer 24 kilometer van Cassel verwijderd is. Een andere mogelijkheid zou Rouge-Croix (Neuve-Chapelle) zijn, gelegen op bijna exact 30 kilometer van Cassel langs een Romeinse weg. De Franse historicus Roland Delmaire verwijst naar een grenssteen die daar in 1123 gestaan zou hebben, maar dat kan onmogelijk iets zeggen over de Oudheid. Tot slot is er het gehucht Fins bij Lille. Het toponiem, mogelijk afgeleid van het Latijnse fines, wijst vermoedelijk op een antieke(?) grens, maar de locatie zelf ligt mogelijk te perifeer om geïdentificeerd te worden met de ‘Fines Atrebatium‘. Verder onderzoek kan hierover mogelijk meer opheldering brengen.

Archeologie

In zowat elke gemeente in België zijn vondsten gedaan uit de Romeinse tijd. Meestal gaat het echter om enkele losse sporen en zijn deze vondsten niet bepalend voor de conclusie van dit onderzoek. Daarom richten we ons op de grotere vindplaatsen die getuigen van bewoning, handel of militaire aanwezigheid. Door de antieke wegenkaarten te combineren met de Digital Atlas of the Roman Empire komen we tot 32 sites. Wat blijkt wanneer we deze sites op kaart uitzetten? Ze situeren zich grotendeels langs drie belangrijke waterlopen: de Noordzee, de Leie en de Schelde.

Overzichtskaart van de types sitesS. Demuynck (2020), p. 173.

Overzichtskaart van de types sites

Aan de kust blijken zich vooral castella te bevinden, zoals die van Oudenburg, Aardenburg en Maldegem-Vake. Deze militaire nederzettingen opgericht tegen invallende migranten waren hoofdzakelijk actief in het laatste kwart van de 2de eeuw en in de 3de eeuw n.C. Er zijn heel wat pottenbakkerstempels gevonden die duiden op contact met het hinterland. De kustregio was een belangrijke verdedigingslinie, maar ook de plek waar zout gewonnen werd. Naast de militaire aanwezigheid was er ook civiele bewoning in onder andere Wenduine en Brugge.

Andere nederzettingen concentreerden zich langs de Leie en de Schelde. Sommige daarvan, zoals Wervik, Kortrijk en Doornik, bestaan tot vandaag. Tegelijk is er een opvallende gelijkenis in het ontstaan en de ondergang van deze nederzettingen. Rond het midden van de 1ste eeuw n.C. en zeker vanaf de Flavische dynastie duiken langs de rivieren meer en meer vaste woonplaatsen op, zoals Ploegsteert, Harelbeke en Kruishoutem. Deze nederzettingen bloeien in de vroege 2de eeuw n.C. met duidelijke sporen van uitbreiding en handel.

Vanaf het jaar 170 n.C. tekent zich een korte periode van stagnatie of verval af, onder andere in Wervik, Kerkhove en Destelbergen. Naast de invallen van de Chauci zijn andere mogelijke oorzaken voor deze terugloop de pestepidemie in 166 n.C., de oorlogen met de Marcomanni (166-180 n.C.) en de opstand van de deserteur Maternus in Gallia in 185-186 n.C. Desalniettemin bleven de meeste nederzettingen een voorspoedig bestaan leiden tot in het midden van de 3de eeuw n.C, toen een crisis het Romeinse Rijk op vele vlakken trof.

Munt gevonden in Londen, geslagen door de Romeinse tegenkeizer Marcus Aurelius Mausaeus Carausius die uit het Menapische gebied afkomstig was

In deze context betreedt Carausius het toneel. De ‘Menapiër’, zoals de Romeinse geschiedschrijver Aurelius Victor hem noemt, liet zich opmerken tijdens de Gallische veldtocht van keizer Maximianus en riep zichzelf in 286 uit tot keizer (van Britannia – waar hij met zijn vloot en legioenen verbleef – en Noord-Gallië). Dat was minder spectaculair dan je misschien zou denken, want hij was lang niet de enige usurpator in de Romeinse Keizertijd en werd enkele jaren later al vermoord. Dat houdt hedendaagse stemmen (zoals te horen in de tweede aflevering van ‘Het verhaal van Vlaanderen’) niet tegen om naar hem te verwijzen als de “West-Vlaamse” keizer, hoewel het Menapische kerngebied (en Carausius dus ook) grotendeels geromaniseerd was in deze periode.

Ondanks de aangetroffen wegen speelde het water een niet te onderschatten rol. Grotere nederzettingen zoals Kerkhove en Tournai konden dankzij hun ligging uitgroeien tot handelscentra, draaiende gehouden door de omliggende villae. De productiecentra ten zuiden van Doornik droegen hier zonder twijfel ook aan bij. Een opsomming van de gevonden opschriften biedt inzicht in de handel in en verspreiding van aardewerk. In de 1ste eeuw n.C. kwam dit hoofdzakelijk uit La Graufesenque (Zuid-Frankrijk).

De daaropvolgende eeuw wordt gekenmerkt door aardewerk uit Lezoux (Centraal-Frankrijk). Vooral in Wervik en Waasmunster zijn deze productiecentra goed vertegenwoordigd. Vanaf het midden van de 2de eeuw n.C vond er een omslag plaats naar aardewerk uit Centraal-Gallië en Germanië. Pottenbakkerstempels uit deze regio’s zijn rijkelijk aanwezig in Wenduine en Brugge. Vondsten van dezelfde stempel op verschillende plaatsen geven duidelijk het contact tussen de nederzettingen weer. Verder onderzoek naar pottenbakkerstempels buiten de civitas Menapiorum zou interessante gegevens kunnen opleveren over het contact tussen de civitates.

De grenzen

De antieke wegenkaarten en de archeologie wijzen op een duidelijke samenhang van het Menapisch gebied. Jammer genoeg weten we op basis hiervan nog altijd weinig over de exacte grenzen van de regio. Daarom is het nodig om de hypotheses van archeologen en historici erbij te betrekken.

Over de westelijke en oostelijke grens, respectievelijk de Aa, de Leie en de Schelde, heerst algemeen consensus. Deze rivieren zouden zowel in de oudheid als in de middeleeuwen een duidelijke demarcatielijn gevormd hebben, hoewel niet onomstotelijk bewezen door de antieke bronnen. Herinner wel Plinius die de Schelde ziet als het begin van een nieuw gebied. De Aa vormt dan weer een van de weinige natuurlijke grenzen op een logische locatie tussen het gebied van de Morini en de Menapii. Het is belangrijk hierbij te beseffen dat waterwegen geen harde grens vormden, maar net een uitnodiging tot handel en uitwisseling.

De bepaling van de grens met de Atrebates in het zuiden ligt moeilijker. In de ruime regio tussen de Leie en de Schelde zijn heel wat kleinere waterlopen te vinden die als demarcatielijn kunnen dienen. Historicus Siegfried De Laet spreekt over de kleine rivier Courant des Coutiches als grens, maar kanalisering en aanleg van grachten zorgt ervoor dat we deze en andere waterlopen niet zonder meer op de Oudheid mogen projecteren. Ook geografische elementen zoals bossen en heuvels – vandaag verdwenen – kunnen een rol gespeeld hebben.

Daarnaast is er de problematiek rond ‘Fines Atrebatium’ op de mijlsteen van Tongeren, die eerder aan bod kwam. De Laet stelt op basis van zijn onderzoek Fins-Lille voor als locatie voor deze plaats, terwijl een andere onderzoeker, Pierre Leman, zich op Neuve-Chapelle richt. Een mogelijke route van de Romeinse weg Estaires-Tournai in dit gebied biedt verdere mogelijkheden om eventuele grenzen te tekenen. Maar we moeten eerlijk zijn: het blijft giswerk.

De zuidelijke grens van de civitas Menapiorum volgens de hypotheses van De Laet, Leman en DerolezS. Demuynck (2020) op basis van Leman (1967), p. 736

De zuidelijke grens van de civitas Menapiorum volgens de hypotheses van De Laet, Leman en Derolez

Het recentere toponymisch onderzoek heeft tot enkele nieuwe argumenten geleid. Interessant zijn de plaatsnamen met het Latijnse element fines, zoals Fines Atrebatium en het gehucht Fins in Lille, eerder aangehaald. In de meest zuidelijke regio van het Menapisch gebied vinden we ook toponiemen zoals Templemars en Famars, en Flines-lez-Râches met een vermeend heiligdom. Deze plaatsnamen wijzen mogelijk op een religieuze zone die gelinkt kan worden aan een grensgebied.

Tot slot draagt het Keltische equoranda, met de betekenis ‘grens van water’ bij aan de bepaling van de grenzen. De plaatsnaam Guéronde-sous-Antoing zou teruggaan op equoranda. Guéronde bevindt zich ten zuidoosten van Doornik op ongeveer een kilometer van de rechteroever van de Schelde. Hier zag onder andere de Belgische archeologe Germaine Faider-Feytmans in het midden van vorige eeuw een bewijs voor de Schelde als grens. Net als bij de waterlopen is het jammer genoeg niet altijd bevestigd dat deze toponiemen tot de Oudheid teruggaan. Alle argumenten en hypotheses in acht genomen, toont onderstaande kaart de momenteel meest waarschijnlijke begrenzing van de civitas Menapiorum.

Vermoedelijke grenzen van de civitas Menapiorum op basis van het gevoerde onderzoek. De stippellijnen wijzen op een onzekere afbakeningS. Demuynck (2020), p. 196.

Vermoedelijke grenzen van de civitas Menapiorum op basis van het gevoerde onderzoek. De stippellijnen wijzen op een onzekere afbakening

Conclusie

De Menapiërs enkel omschrijven als de geboortestam van keizer Carausius doet hen onrecht aan. Dit onderzoek heeft getoond dat ze immigranten in het Noordzeegebied waren die zich vestigden tussen de rivier de Aa in het oosten en de Schelde in het westen. Tijdens de Romeinse overheersing bloeiden hun nederzettingen, productiecentra en handel. De Menapiërs werden al snel bekend als zouthandelaars en geroemd om hun voortreffelijke ham. Een kleine elite schreef zich snel in in het Romeinse kader, terwijl het grootste deel van de bevolking eerder geleidelijk elementen uit de Romeinse cultuur overnam. De archeologische resten leren ons veel over het leven “bij ons” in de Romeinse tijd. Maar de exacte grenzen van het Menapisch gebied? Die laten zich niet zomaar vastleggen. Het is wachten op de vondst van nieuw literair, documentair of archeologisch materiaal om de bestaande hypotheses te bevestigen of weerleggen.

Lees meer

Demuynck, S., De Menapii in Gallia Belgica. Onderzoek naar de grenzen van het Menapisch gebied in de keizertijd, onuitgegeven masterproef, KU Leuven, faculteit Letteren, 2020. (de masterproef is volledig te lezen op de Scriptiebank en een samenvatting en poster zijn te vinden op de website van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis)
Deru, X., La Gaule Belgique, Parijs, 2016.
De Clercq, W., Lokale gemeenschappen in het Imperium Romanum: transformaties in de rurale bewoningsstructuur en de materiële cultuur in de landschappen van het noordelijk deel van de civitas Menapiorum (Provincie Gallia-Belgica, ca. 100 v.Chr. – 400 n.Chr.), Onuitgegeven doctoraatsproefschrift, Universiteit Gent, departement Archeologie, 2009.
Dhaeze, W., ‘In het land van de Menapiërs’, Zeeuws Tijdschrift, 58 (2008), 35-44.
Delmaire, R. en Delmaire, B., ‘Les limites de la cité des Atrébates (nouvelle approche d’un vieux problème)’, Revue du Nord, 72 (1990), 697-735.
Delmaire, R., Etude archéologique de la partie orientale de la cité des Morins (civitas Morinorum) (Memoires de la Commission départementale des monuments historiques de Pas-de-Calais, 16), Arras, 1976.
Leman, P., ‘Aux confins méridionaux de la cité des Ménapiens’, Revue du Nord, 49 (1967), 721-739.
De Laet, S., ‘Les limites des Cités des Ménapiens et des Morins’, Helinium, 1 (1961), 20-34.
Derolez, A., ‘La Cité des Atrébates à l’époque romaine: documents et problèmes’, Revue du Nord, 40 (1958), 505-533.
Faider-Feytmans, G. ‘Les limites de la cité des Nerviens’, L’antiquité classique, 21 (1952), 338-358.

Luister verder

‘Over de vloer’: een (voorlopig) tweedelige podcastreeks door Sien Demuynck over de Romeinse en vroeg-middeleeuwse periode “bij ons”. Op een luchtige en speelse, maar daardoor niet minder wetenschappelijke manier toont Sien dat geschiedenis helemaal niet saai hoeft te zijn. Voor jonge en iets oudere luisteraars, te vinden op SoundCloud.

Coverfoto: scène uit de één-reeks ‘Het verhaal van Vlaanderen’ waarin de Menapiër Carausius wordt uitgeroepen tot keizer (© VRT)

Het bericht “Een volk van bij ons?”: het grondgebied van de Menapii in Gallia Belgica van Sien Demuynck verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2023/een-volk-van-bij-ons-het-grondgebied-van-de-menapii-in-gallia-belgica/feed/ 0 2379
Sokken in sandalen en clandestien ondergoed: kledij en mode in Grieks-Romeins Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/21/10/2020/sokken-in-sandalen-en-clandestien-ondergoed-kledij-en-mode-in-grieks-romeins-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/21/10/2020/sokken-in-sandalen-en-clandestien-ondergoed-kledij-en-mode-in-grieks-romeins-egypte/#respond Wed, 21 Oct 2020 15:46:52 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1704

Kledij was zeer belangrijk in de Oudheid: als bescherming tegen de elementen, om een identiteit uit te drukken of door hun groot economisch belang. Het maken en dragen van textiel is een uniek menselijke eigenschap, die ons onderscheidt van andere dieren. Kleren vergezellen ons van het kraambed tot in het graf, en het is dan ook niet verwonderlijk dat ook de menselijke taal doorspekt is met woorden en uitdrukkingen die hun oorsprong vinden in de textielproductie. Wat antieke kledij en mode betreft, zijn we vooral goed geïnformeerd over Grieks-Romeins Egypte. Dankzij het woestijnklimaat zijn daar namelijk zowel geschreven bronnen uit het dagelijkse leven, als volledige kledingstukken bewaard gebleven.

Het bericht Sokken in sandalen en clandestien ondergoed: kledij en mode in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Stuur ons alsjeblieft het nodige, zodat we niet in schaamte hoeven te leven. Laat hen ons niet bespotten telkens als we binnenkomen, omdat we naakt zijn. Als een versleten mantel voor ons je te duur is, laat ons dan op zijn minst een stuk linnen bezorgen.

‘Koptische’ kindertuniek uit het Metropolitan Museum of Art

Deze smeekbede uit de 3de eeuw v.C. toont hoe belangrijk kledij al was in de Oudheid. Kleren bieden bescherming tegen de elementen, laten ons toe onze identiteit uit te drukken, en hebben in elke historische periode een groot economisch belang. Het maken en dragen van textiel is een uniek menselijke eigenschap, die ons onderscheidt van andere dieren.

Papyrusbrief over sokken en ondergoed in het Egyptisch Museum in CaïroNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Papyrusbrief over sokken en ondergoed in het Egyptisch Museum in Caïro

Kleren vergezellen ons van het kraambed tot in het graf, en het is dan ook niet verwonderlijk dat ook de menselijke taal doorspekt is met woorden en uitdrukkingen die hun oorsprong vinden in de textielproductie. Wat antieke kledij en mode betreft, zijn we vooral goed geïnformeerd over Grieks-Romeins Egypte. Dankzij het woestijnklimaat zijn daar namelijk zowel geschreven bronnen uit het dagelijkse leven, als volledige kledingstukken bewaard gebleven.

Een blik in de Grieks-Romeins-Egyptische kleerkast

De koffer van Zenon:

  • een gewassen linnen gewaad (periblema),
  • een gewassen aardkleurige wintermantel (chlamys),
  • een gedragen mantel,
  • een halfgedragen zomermantel,
  • een gewassen naturel wintermantel,
  • een gedragen naturel wintermantel,
  • een nieuwe wikke-kleurige zomermantel,
  • een gewassen witte wintertuniek (chiton) met mouwen,
  • een gedragen naturel wintertuniek met mouwen,
  • een gedragen naturel wintertuniek,
  • twee gewassen witte wintertunieken,
  • een halfgedragen tuniek,
  • drie nieuwe witte zomertunieken,
  • een ongevolde tuniek,
  • een half-gedragen tuniek,
  • een gewassen wit bovenkleed voor de winter (himation),
  • een ruwe mantel (tribôn),
  • een gewassen wit zomergewaad (theristron),
  • een halfgedragen zomergewaad,
  • een paar Sardische hoofdkussens,
  • twee nieuwe paren aardkleurige sokken,
  • twee paar nieuwe witte sokken,
  • twee nieuwe witte gordels.

Deze papyrus geeft ons een momentopname van de kleerkist van Zenon, een manager van een groot landgoed uit de 3de eeuw v.C. Door zijn maatschappelijke positie had Zenon ‘s ochtends allicht iets meer keuzestress voor de spiegel dan de gemiddelde Griek of Egyptenaar, maar de gewaden in zijn koffer zijn min of meer representatief. Het basiskledingstuk, zowel voor Egyptenaren als voor Grieken, was de tuniek (in het Grieks chiton, in het Demotisch Egyptisch gtn). De chiton kon tot op de grond komen, tot aan de knieën, of tot aan de middel – in de meeste gevallen zijn zulke details ons niet bekend. We kennen zowel tunieken met als zonder mouwen.

Laat-antieke tuniek met mouwen, in tegenstelling tot de kindertuniek hierboven

Mummieportret van een vrouw met roze himation over haar chiton gedrapeerd

Boven de tuniek droeg men soms een tweede stuk, dat over het onderkleed heen gedrapeerd werd: de himation. Beide kledingstukken bestonden in essentie uit rechthoekige stukken stof. De himation kon op verschillende manieren gedrapeerd worden, al dan niet met behulp van gordels. Soldaten en andere personen die grote afstanden moesten afleggen, vervingen de himation als overkleed al eens door een chlamys, een reismantel die met een gesp aan de schouder werd vastgemaakt.

Beeld van Ptolemaios III als Hermes met chlamys

Zoals blijkt uit de Zenon-papyrus, konden die gewaden naturel of geverfd zijn (over kleuren later meer). Belangrijk was wel dat de kleren gewassen waren, en in het geval van wol behandeld door een voller. Hoewel in de papyri specifieke mannen- en vrouwenversies van kleren voorkomen, droegen beide geslachten in essentie dezelfde kledingstukken.

De meest gebruikte grondstof voor textiel was linnen, gemaakt van de vlasplant. Het materiaal is zeer sterk en absorberend, en het droogt snel. Deze eigenschappen maken de stof ideaal voor een warm woestijnklimaat. ’s Winters en ’s avonds koelt het echter ook in Egypte af, en voor zulke omstandigheden was wol geschikter. Lange tijd werd aangenomen dat er in Egypte geen wol gedragen werd, omdat het volgens Herodotus tegen de religieuze gebruiken inging om begraven te worden of de tempel te betreden met wollen kleren. Als er al zo’n taboe was, gold dat waarschijnlijk alleen voor priesters. Archeologische opgravingen bevestigen dat wol en wollen kledij al voorkwamen in de predynastische periode. In Zenons lijst, net als in andere papyri, vinden we daarnaast winter- en zomervarianten van sommige kledingstukken. Voor de echte koukleumen waren er ook sokken. Tot afschuw van moderne fashionista’s werden deze kousen schaamteloos in de sandalen gedragen. Sterker nog: ze waren er speciaal voor gefabriceerd. De sandalen zelf waren meestal van leer of papyrus.

Een paar sokken uit Romeins Oxyrhynchus, met inkeping aan de tenen voor een sandaalriem

Een textiel-gerelateerde vraag die historici vaak te horen krijgen, is of mensen vroeger ook al ondergoed droegen. Er zijn wel degelijk enkele papyri bewaard die meer licht werpen op deze kwestie. Ongetwijfeld de meest mysterieuze is volgend fragment:

“Verklaring van Harchebis over de clandestien geweven beha’s die gevonden zijn in de tempel”

De verklaring zelf is helaas verloren gegaan. De illegaliteit van de beha’s had waarschijnlijk niets te maken met een algemeen verbod op ondergoed, maar eerder met de specifieke omstandigheden waarin deze exemplaren geproduceerd waren. Zulke tempelwerkplaatsen waren immers in de eerste plaats bedoeld voor het vervaardigen van kledij voor de godenbeelden. Het Griekse woord voor beha betekent letterlijk ‘borstband’, en de antieke exemplaren waren heel wat minder complex dan hun moderne tegenhangers. Waarschijnlijk gaat het om een soort doek, zoals afgebeeld in de Villa del Casale in Sicilië. Het is onduidelijk hoe wijdverspreid ze werkelijk waren. Hetzelfde geldt voor de lendendoek, die vaak afgebeeld werd in de faraonische periode. In de Grieks-Romeinse periode vinden we die vooral terug bij atleten.

De zogenaamde ‘bikini-mozaïek’ met atletes in de Villa del Casale (Sicilië, 4de eeuw n.C.)

De nieuwe kleren van de keizer: mode en innovatie

Vandaag is de textielindustrie een echte mode-industrie, waarin een belangrijke rol is weggelegd voor fast fashion met snel veranderende trends en relatief lage prijzen. Voor de industriële revolutie was zo’n organisatie onmogelijk. Het produceren van kledij was een veel trager en arbeidsintensiever proces, en een kledingstuk was een substantiële investering, die de meeste mensen maximaal eenmaal per jaar deden. Toch veranderden smaken ook in de Oudheid al, en werden die trends ook overgenomen door anderen, zij het aan een veel trager ritme. Het volgen van de laatste mode was ook sterk vervlochten met sociale status, en was alleen weggelegd voor de elite. Het gaat daarbij niet zozeer om de vorm van kledingstukken, maar eerder over materiaal en versiering. Een ander opvallend verschil was de status van de de kleermakers. Uit de Oudheid is ons geen enkele beroemde ontwerper bekend; de opkomst van internationaal bekende modehuizen is een relatief recent fenomeen.

Munten en standbeelden zijn belangrijke bronnen voor modeverschijnselen. In het bijzonder de kapsels van Romeinse keizerinnen, zoals deze Sabina, vonden navolging bij de elite

De slakkensoort Murex waaruit purperverf gewonnen werd

Een onderscheidend kenmerk van textiel was bijvoorbeeld de kleur. In de papyri vinden we talrijke gekleurde kledingstukken terug, in zowat alle kleuren van de regenboog. Er was ook aandacht voor de juiste tint binnen dezelfde kleur: zo gaven sommigen de voorkeur aan “gras-groen”, waar anderen voor “prei-groen” of “appel-groen” kozen. Verf had meestal een plantaardige of minerale basis, maar sommige formules waren van dierlijke oorsprong. Zo werden insecten gebruikt voor het bekomen van een scharlakenrode kleur.

Mummieportret van een vrouw gehuld in verschillende tinten purper; het Tyrisch purper was een diep purperrood

Een bijzondere rol was weggelegd voor purper. Het maken van purperverf was een zeer tijdrovend en duur proces. Dit had alles te maken met de grondstof, die werd gewonnen uit de schelp van de murex (brandhoren, een soort zeeslak), in het bijzonder in Tyrus, in het huidige Libanon. Volgens experimenten zouden 12 000 slakken niet meer dan 1,4 gram verf opleveren, al moet het wel gezegd worden dat het exacte procedé onbekend is. Purperen kleding was dus een echt statussymbool, en in de laat-Romeinse periode was het recht om de kleur te dragen zelfs exclusief voorbehouden aan de keizer.

Mogelijk leek de kostbare tuniek op deze met figuren versierde mantel uit Hellenistisch Etrurië

Slakken-uitscheiding is natuurlijk niet de enige bron van purperen kleurstoffen. In de papyri vinden we ook goedkopere oplossingen, zoals het mengen van blauwe en rode verf, of het gebruik van planten. Zulke praktijken waren schering en inslag, en om het hoogwaardige slakkenpurper van deze imitaties te onderscheiden, spraken ververs van “echt purper” of “zeepurper”, in tegenstelling tot het goedkopere “lokale purper” of “wortelpurper”. Wie zijn welvaart wilde tentoonspreiden kon dat ook op andere manieren, die moeilijker te imiteren vielen. Een petitie uit 244 v.C. licht ons bijvoorbeeld in over de aankoop van een tuniek waarop figuren geborduurd waren. Het stuk kostte 1270 drachmen, het honderdvoudige van de gemiddelde prijs van een chiton in die periode, wat overeenkomt met 15 à 20 jaarlonen voor een modale Egyptenaar. Echte haute couture dus.

Tijdens de Romeinse periode deed katoen zijn intrede in Egypte

Net zoals bepaalde steden en regio’s vandaag bekend staan om hun verfijnde of modieuze textielproductie, kende Grieks-Romeins Egypte ook regionale specialiteiten. Het beste vlas en linnen kwamen bijvoorbeeld uit de noordelijke Nijldelta, in het bijzonder uit Mendes. Andere specialiteiten werden ingevoerd van elders. Zo stond Milete, in het huidige Turkije, bekend om haar bijzonder fijne wol. Griekse ondernemers importeerden daarom het Milesische schapenras in Egypte. De wol was zo kostbaar dat de dieren een leren dekkleed droegen om ze te beschermen. Klein-Aziatische producten in het algemeen waren goed vertegenwoordigd in de Egyptische textielindustrie. Zo werden de tarsikarioi een belangrijke beroepsgroep in de Romeinse periode. Deze wevers maakten kleding die oorspronkelijk een specialiteit van de stad Tarsus was. Ook de Sardische kussens die we eerder in Zenons garderobe tegenkwamen, stamden uit Klein-Azië.

Na de overwinning van Octavianus op Cleopatra VII deelden de Romeinen de lakens uit in Egypte. In hun kielzog brachten zij rijks-brede trends met zich mee. Naast de Tarsische gewaden of stoffen, deed na verloop van tijd bijvoorbeeld ook de dalmatikè haar intrede: een brede tuniek, oorspronkelijk afkomstig uit Dalmatië, die net als vele andere gewaden uit de Oudheid nog verder leeft in de christelijke liturgie. De verovering leidde echter niet tot een volledige vernieuwing van de garderobe. Zo vinden we in Egypte weinig sporen terug van de toga, het archetypische kledingstuk van de gegoede Romeinse burger. Andere ontwikkelingen in Romeins Egypte hadden niets met de Romeinse cultuur te maken. Waar de chiton in de Hellenistische periode doorgaans mouwloos was, kwam in de Romeinse periode bijvoorbeeld de tuniek met mouwen in zwang. Ook katoen werd in de vroege Romeinse periode geïntroduceerd, maar die nieuwe vezel kwam evenmin vanuit het westen. Vandaag is het de belangrijkste textielvezel in Egypte en de rest van de wereld.

Waar de welgestelde inwoners van Grieks-Romeins Egypte dus zeer bezorgd waren over hun voorkomen en het volgen van de laatste nieuwe mode, kende de regio langs de andere kant ook een bloeiende markt in tweedehands textiel. Kledij werd ook gerecycleerd voor begrafenissen, denk bijvoorbeeld maar aan de zogenaamde ‘mummie van Zagreb’, wier windsels oorspronkelijk dienstdeden als Etruskische rituele kalender. Veel mummietextiel vertoont daarnaast sporen van herstelwerk, een duidelijk teken van hergebruik. In sommige gevallen werden nieuwe stukken textiel vervaardigd uit oude kledij. Dit gebeurde bijvoorbeeld bij de productie van luxueuze tapijten, een praktijk die men vandaag als upcycling zou aanduiden.

De windsels met Etruskische tekst van de ‘mummie van Zagreb’ zijn een duidelijk bewijs voor het hergebruik van textiel in een funeraire context

Er wordt wel eens gezegd dat in de mode “alles terugkomt”. We kijken dan ook reikhalzend uit naar het eerste modehuis dat modellen met een chiton en himation de catwalk op stuurt!

Lees meer

Droß-Krüpe, K., Wolle – Weber – Wirtschaft. Die Textilproduktion der römischen Kaiserzeit im Spiegel der papyrologischen Überlieferung, Wiesbaden, 2011.

Dunand, F., ‘L’artisanat du textile dans l’Égypte lagide’, Ktèma 4 (1979), 47-69.

M. Harlow (ed.), A cultural history of dress and fashion in antiquity, Londen en New York, 2017.

G. Vogelsang-Eastwood, De kleren van de farao, Amsterdam, 1994.

Coverfoto: adaptatie van een scan uit het boek ‘The New Student’s Reference Work, 5 volumes, Chicago, 1914′, gepubliceerd op Wikimedia (Public Domain)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Sokken in sandalen en clandestien ondergoed: kledij en mode in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/21/10/2020/sokken-in-sandalen-en-clandestien-ondergoed-kledij-en-mode-in-grieks-romeins-egypte/feed/ 0 1704
Cultuur tijdens Corona: beleef de Oudheid vanuit je zetel https://www.oudegeschiedenis.be/22/04/2020/cultuur-tijdens-corona-beleef-de-oudheid-vanuit-je-zetel/ https://www.oudegeschiedenis.be/22/04/2020/cultuur-tijdens-corona-beleef-de-oudheid-vanuit-je-zetel/#respond Wed, 22 Apr 2020 14:55:16 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1505 Beleef de Oudheid vanuit je zetel

In deze bijzondere tijd waarin een groot deel van de wereldbevolking in quarantaine is geplaatst of toch het merendeel van de tijd probeert thuis te blijven, is ook de cultuursector zwaar getroffen door Corona. Iedereen met oudheidkundige interesse weet dat dit betekent dat het dus onmogelijk is om rond te wandelen op het Forum Romanum, de Acropolis te beklimmen of de piramides in Gizeh te bewonderen. Wij bieden daarom alvast een (niet-exhaustief) overzicht van de digitale alternatieven om de Oudheid virtueel te beleven. En het beste nieuws is dat je hiervoor niet eens je zetel moet uitkomen!

Het bericht Cultuur tijdens Corona: beleef de Oudheid vanuit je zetel van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Beleef de Oudheid vanuit je zetel

In deze bijzondere tijd waarin een groot deel van de wereldbevolking in quarantaine is geplaatst of toch het merendeel van de tijd probeert thuis te blijven, is ook de cultuursector zwaar getroffen. Corona, oftewel COVID-19, de pandemie die veroorzaakt is door een coronavirus, heeft ervoor gezorgd dat de afgelopen weken bijna alle musea en toeristische sites wereldwijd hun deuren hebben moeten sluiten en dat toerisme op dit moment bijna volledig tot stilstand is gekomen. Iedereen met oudheidkundige interesse weet dat dit betekent dat het dus onmogelijk is om rond te wandelen op het Forum Romanum, de Acropolis te beklimmen of de piramides in Gizeh te bewonderen. Gelukkig zijn er nog alternatieven om de Oudheid op een andere manier te beleven, namelijk virtueel. En het beste nieuws is dat je hiervoor niet eens je zetel moet uitkomen.

Hieronder bieden we een (niet-exhaustief) overzicht van de musea, archeologische sites en games die via allerlei toepassingen (bijvoorbeeld online tentoonstellingen, 3D-wandelingen of virtual reality [VR] of augmented reality [AR]) erin slagen om de Oudheid virtueel tot leven te laten komen. Historische films, boeken, strips of gezelschapspellen hebben we hierdoor niet opgenomen in deze verzameling, maar zijn natuurlijk ook absolute aanraders voor iemand met interesse in de Oudheid. Voor de coronacrisis bestonden er al een aantal virtuele verzamelingen waarvoor je je huis niet moest uitkomen, maar in de huidige periode worden bijna dagelijks nog nieuwe initiatieven genomen door zowel kleine als grote culturele organisaties uit de GLAM-sector (Galleries, Libraries, Archives & Museums) of de entertainmentwereld.

Lage Landen

Beginnen doen we in eigen land, waar verschillende musea hun best hebben gedaan om een alternatieve beleving van hun collecties en/of (tijdelijke) tentoonstellingen mogelijk te maken. Het Gallo-Romeins Museum in Tongeren is het grootste oudheidkundig museum van ons land en had al voor de verplichte sluiting van niet-essentiële sectoren in ons land werk gemaakt van hun online aanwezigheid. Op hun website kon je bijvoorbeeld al terecht voor een video-overzicht van afgelopen tentoonstellingen, maar vind je ook een link naar het Exploratorium, een website waar je hun uitgebreide collectie kan doorzoeken en ook themamappen kan raadplegen. Een deel van de collectie – zo’n 10 000 van de in totaal ongeveer 170 000 objecten – kan je ook raadplegen via de erfgoeddatabank voor Limburg en Vlaams-Brabant: Erfgoedplus. Wegens de voorlopige sluiting van de tijdelijke tentoonstelling ‘Dacia Felix’ over het roemrijke verleden van Roemenië stelt het museum ook hun gratis audiotours online ter beschikking. Daarop kan je verschillende topstukken uit de tijdelijke expositie ontdekken in woord en beeld, naast uitleg over 50 unieke objecten uit de eigen collectie. Voor de nieuwe tentoonstelling ‘Oog in oog met de Romeinen’ werkt het museum samen met acteur Jelle De Beule en kan je de expo ook virtueel beleven dankzij enkele educatieve video’s.

Het Exploratorium, een website waar je de collectie van het Gallo-Romeins museum van Tongeren kan doorzoeken en themamappen kan raadplegen

Ook het recent geopende Teseum van Tongeren in dezelfde buurt blijft momenteel ontoegankelijk voor het publiek. Naast de schatkamer herbergt dit museum ook een archeologische site waar de 2000 jaar oude sporen van de Romeinse bouwwerken nog werden aangetroffen. Onderstaande video biedt alvast een virtuele inkijk in deze site met de originele muren en funderingen van de Limburgse stad.

Het Romeins Archeologisch Museum (RAM) van Oudenburg is jammer genoeg ook tijdelijk gesloten, waardoor de tentoonstelling ‘Roma Intima’ over het intieme leven in het Oude Rome (gebaseerd op het gelijknamige boek van classicus Bert Gevaert en uroloog Johan Mattelaer) momenteel ook niet te bezoeken valt. Van de permanente collectie is ook wel een deel digitaal te bezichtigen via de website van Erfgoedinzicht, dat het erfgoed in Vlaanderen verzamelt.

Het Provinciaal Archeocentrum in Velzeke is het Gallo-Romeins museum van Oost-Vlaanderen. In de deelgemeente van Zottegem kan je normaal gezien onder meer de Romeinse invloed in de provincie Oost-Vlaanderen bestuderen. Hun tijdelijke tentoonstelling ‘Landschap Door.grond’ schetst een beeld over de relatie tussen de mens en het landschap in Zuid-Oost-Vlaanderen aan de hand van grootschalig archeologisch onderzoek van de afgelopen 10 jaar. In afwachting van de heropening krijg je via onderstaande video (en de maquette uit het museum) wel al een beeld van de weg in Leeuwergem waarlangs verschillende Romeinse huizen werden opgegraven.

Het Brusselse Museum Kunst & Geschiedenis (het vroegere KMKG) in het Jubelpark is vooral bekend voor de uitgebreide collectie van Egyptische objecten (waarvan een deel mummies). Deze collectie werd recent al toegankelijk gemaakt via een mobiele applicatie waarbij een vijftigtal stukken in woord en beeld worden voorgesteld. Daarnaast is de permanente collectie, waaronder de meer dan 5000 oudheidkundige objecten, ook te doorzoeken via de online museumcatalogus Carmentis.

In Wallonië, in de gemeente Malagne, kan je in normale tijden het Archéoparc van Rochefort bezoeken. Dat is een Gallo-Romeins landelijk domein waar naast opgravingen en reconstructies ook aan experimentele archeologie wordt gedaan. Een voorbeeld hiervan kan je zien in de video waarin het mogelijke gebruik van een vallus wordt gedemonstreerd, een Gallo-Romeinse oogstmachine.

Het Musée royal de Mariemont, een museum in de Henegouwse gemeente Morlanwelz, heeft een uitgebreide collectie van oudheidkundige objecten, waarvan een groot deel Egyptische kunst, maar eveneens talrijke Griekse en Romeinse beelden. Ook delen van deze collectie zijn via audiogidsen te bekijken en beluisteren, onder meer eentje gewijd aan de recente expositie ‘De lin et de laine’, over textiel uit het Egypte van het 1ste millennium (v.C.).

De Archéosite van Aubechies-Beloeil ligt ook in Henegouwen. Daar krijg je in het archeologische park (en bijhorend museum) een rondleiding die begint in het oude Neolithicum begint (rond 5000 v.C.) en eindigt met de Romeinse periode (3de eeuw n.C.). Hier worden ook vaak evenementen georganiseerd in het teken van re-enactment, zoals tijdens het weekend van de experimentele archeologie. Gladiatorengevechten en soldatenmarsen kleuren dan deze dagen, maar in deze periode is het nog onduidelijk of dit wel zal kunnen doorgaan in 2020. Gelukkig is er nog videomateriaal van de voorbije edities om dit te kunnen (her)beleven.

Musée Archéologique in Aarlen, de hoofdstad van de provincie Luxemburg, is eveneens een Belgisch museum met een uitgebreide Gallo-Romeinse collectie. Deze bevat onder meer een heleboel grafmonumenten, maar ook een collectie keramiek en glazen. Elke maand wordt op de website van het museum een object daarvan in de kijker gezet.

De mobiele applicatie van Via Belgica laat toe om augmented reality te gebruiken bij sommige sites

Nederland telt ook een heel aantal musea met een focus op de Oudheid. Het Allard Piersonmuseum in Amsterdam beheert de erfgoedcollecties van de Universiteit van Amsterdam, waaronder een groot deel oudheidkundige voorwerpen. Deze zijn al digitaal samengebracht in een beeldbank, later dit jaar komt er ook nog een digitale toepassing bij om zelf aan de slag te gaan met de collectie. In het openluchtmuseum Archeon in Alphen aan den Rijn kan je delen van het park virtueel bezoeken vanuit de lucht, waaronder ook het gedeelte dat is gewijd aan de Romeinse tijd.

In Heerlen kan je normaal gezien het schitterend bewaard en gerestaureerd badhuis bezoeken, maar in deze tijd zal je het moeten stellen met een audiotour over de Romeinse vondsten uit de Zuid-Limburgse stad. Nog in Zuid-Limburg kan je het initiatief van de ‘Via Belgica’ volgen, de enigszins ahistorische benaming van de Romeinse heirbaan die van Frankrijk tot Duitsland liep en de Belgische en Nederlandse provincie Limburg doorkruist. Als je van wandelen en fietsen houdt – wat je gelukkig nog mag doen – kan je de mobiele applicatie downloaden en zelf een route samenstellen, zelfs gekruid met een vleugje augmented reality.

Museum Het Valkhof in Nijmegen werkte een mooi online aanbod voor thuis uit met interessante podcasts over de museumcollectie en houdt de komende weken verschillende live rondleidingen op Facebook. In de eerste aflevering word je alvast door de Romeinse collectie gegidst.

Tot slot heeft het bekende Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden, het nationale archeologiemuseum van Nederland, een partnerschap met Google afgesloten waardoor je als bezoeker ook virtueel (via Street View) kan ronddwalen door het volledige museum. Op die manier krijg je een eersteklas zicht op de verschillende afdelingen van het Oude Egypte (met ook een online tentoonstelling van de hoogtepunten), het Oude Nabije Oosten of Griekenland en Rome en kan je de collectie van bijvoorbeeld de Etruskische objecten uitgebreid bewonderen. Daarnaast kan je ook van thuis uit een (betalende) online rondleiding met museumgids volgen.

West-Romeinse Rijk

Ook in de rest van wat ten tijde van de Romeinen onder het West-Romeinse Rijk viel, kan je heden ten dage heel wat musea of archeologische sites in een virtuele vorm bezoeken. Het bekendste museum van Frankrijk bijvoorbeeld, het Louvre in Parijs, biedt enkele online bezoeken aan, waaronder eentje aan de zeer ruime Egyptische collectie. Daarnaast is het ook mogelijk om het museum in een volledige 360° in virtual reality te doorzoeken. Een andere ervaring (naast een databank met daarin al hun gedigitaliseerde objecten) biedt het Altes Museum, één van de vele museumpartners uit de wereld die samenwerken met een ander platform van Google, Arts & Culture. Daarop kan je voor het Berlijnse museum maar liefst zeven online exposities bezoeken, waaronder eentje met de tongue-in-cheek titel: ‘When Cleo met Julius … by rolling herself up in a carpet‘. Ook het Pergamonmuseum in de Duitse hoofdstad opent virtueel zijn deuren, hetgeen je bijvoorbeeld toelaat om in te zoomen op de details van de friezen van het Pergamonaltaar. De mobiele applicatie van Google laat ook toe om enkele van deze exposities in virtual reality te beleven. Datzelfde gebeurt ook bij het Londense British Museum, die naast een eigen online collectie, ook op hetzelfde platform een online expositie over religie in het Egypte na de farao’s aanbieden. Het Museo Arqueológico Nacional (MAN) in Madrid gaat zelfs nog een stap verder en ontwikkelde een eigen applicatie (die ook op het web beschikbaar is), waarbij je zaal per zaal kan binnenwandelen en verder onbeperkt inzoomen op de vele archeologische objecten uit de Oudheid die in de vitrines liggen en onder meer de geschiedenis van de provincie Hispania vertellen.

Ook in Italië (en vooral haar hoofdstad) bestonden al verschillende initiatieven om de Oudheid op een virtuele manier tastbaar te maken, denk maar aan een 3D-bezoek aan het hedendaagse Rome of Rome Reborn, een ervaring in virtual reality die de stad rond 320 n.C. nabouwt. Dat laatste project – al begonnen in de jaren 90 van de vorige eeuw – maakt het ook mogelijk om met een VR-bril (zoals de Oculus Rift) over de Romeinse hoofdstad te vliegen, een waarlijk unieke ervaring.

Met de recente ontdekkingen van nieuwe huizen en de vele andere restauraties in Pompeï en Herculaneum in het achterhoofd, is een virtueel bezoek aan beide steden zeker de moeite waard. Je hebt zelfs de keuze tussen bijvoorbeeld een geleide wandeling van Pompeï op YouTube – van meer dan 5 uur, maar wel in 4K! – of ook een zelfgekozen pad via Google Street View. Voor Herculaneum kan je dan weer een volledige 360°-ervaring beleven.

En als je toch liever in de gesloten ruimte van een museum de schatten van beide steden bekijkt, kan je altijd terecht op de online tentoonstelling van het nationaal archeologisch museum van Napels over de stillevens van oud-Romeinse aristocraten uit Pompeï en Herculaneum.

8 musea uit de hoofdstad verenigden zich recent ook om een virtuele tour (in het Italiaans of het Engels) te kunnen aanbieden en het gaat niet om de minste:

  • Musei Capitolini
  • Museo dell’Ara Pacis
  • Museo Napoleonico
  • Mercati di Traiano – Museo dei Fori Imperiali
  • Casino Nobile di Villa Torlonia
  • Centrale Montemartini
  • Museo delle Mura
  • Museo di Roma

Je kan tentoongestelde objecten bekijken of krijgt meer informatie erover, maar evengoed navigeer je door de musea zoals op Google Streetview. Ook wanneer er video of audio beschikbaar is, kan je dit aanklikken. Mogelijk sluiten in de toekomst nog meer musea uit Rome zich aan bij dit project en kan je als bezoeker nog meer collecties van thuis uit ontdekken.

Oost-Romeinse Rijk

Ook in het oosten van het Romeinse Rijk valt veel te beleven online. In Griekenland alleen al bieden verschillende musea hun verzamelingen aan in virtuele vorm. In de hoofdstad Athene kan je op bezoek bij onder meer het Benaki Museum of Greek Culture voor een 360°-tour, het Museum of Cycladic Art (via Google), het nationaal Archeologisch Museum (met een uitgebreide online collectie) en niet te vergeten natuurlijk, het vernieuwde Acropolis Museum. Het bekendste museum van Griekenland heeft naast een eigen pagina op Google Arts & Culture, ook een volledige website met digitale toepassingen voor educatieve doeleinden. Daarop kan je bijvoorbeeld een virtuele – en volledige – representatie van de Parthenonfriezen bewonderen. Recent investeerde de regering van het land ook in een website met zoekplatform, Search Culture, waarop in totaal meer dan 400 000 items zijn verzameld uit 67 collecties (waaronder musea, archieven, culturele stichtingen en dus ook oudheidkundige objecten uit allerlei plaatsen). Tot slot is er ook een nieuwe applicatie waarbij je een volledige virtuele tour kan maken op de Acropolis en kan inzoomen op de verschillende antieke monumenten.

De Acropolis Virtual Tour waarmee je kan inzoomen op de verschillende antieke monumenten

In Macedonië – of Noord-Macedonië zoals het land sinds kort wordt genoemd – was er al het project Macedonia From Above, waarbij verschillende musea en historische sites in 360°-perspectief te bezichtigen zijn. De virtuele tour brengt je bijvoorbeeld ook langs Stobi, een oorspronkelijke Paeonische nederzetting die in de 3e eeuw v.C. door Antigonus Gonatas en Philippus V bij Macedonië werd ingelijfd, en die in 168 v.C. onder Romeins gezag kwam. Een Romeins theater en het paleis van keizer Theodosius I zijn hiervan de zichtbare getuigen.

Het huidige Syrië was als Romeinse provincie onder dezelfde naam bekend, maar heeft natuurlijk ook uitgebreid historisch erfgoed van eerdere en latere periodes. Jammer genoeg zijn de voorbije jaren verschillende van deze sites ten prooi gevallen aan verschillende groeperingen die er vernietigingen hebben aangebracht. Het ‘Syrian Heritage Archive’-project (in samenwerking met het Berlijnse Staatliche Museen) probeert dat ook om dit erfgoed ten minste digitaal te bewaren. Op de website kan je dan navigeren op de kaart van de verschillende erfgoedsites en vind je ook meer informatie (in woord en beeld) over de overblijfselen van de Oudheid in het land. Buurland Libanon is dan op zijn beurt de nieuwste toevoeging aan het ‘Reborn’-project: Baalbek Reborn presenteert de antieke site van Heliopolis met de monumenten uit de Romeinse periode in VR en via zogenaamde flyovers, prachtige video’s waarbij je in vogelvlucht de stad te zien krijgt.

Voor het antieke Turkije bestaat zelfs een volledige website waarbij een dertigtal sites (waaronder steden als Efeze, Milete en Laodikeia) volledig in 3D werden ingescand. KU Leuven, onze eigenste universiteit, heeft al sinds 1990 een archeologisch project lopen op de antieke site van Sagalassos (in Pisidië, in het zuidwesten van Turkije). De onderzoeksgroep archeologie (eerst onder leiding van professor emeritus Marc Waelkens, intussen opgevolgd door professor Jeroen Poblome) begeeft zich – normaal gezien toch – jaarlijks in de zomer naar daar voor een nieuwe opgravingscampagne. Unieke vondsten zoals een kolossaal beeld van keizer Hadrianus, maar ook verschillende delen van de antieke stad uit meerdere periodes, bijvoorbeeld een laathellenistische Dorische tempel, de bovenste en lagere agora of het Nymphaeum van Antoninus Pius, zijn nu te bezichtigen (of zelfs na te bouwen) via de 3D-modellen op Sketchfab. Daarnaast is ook de tentoonstelling ‘Meanwhile in the Mountains: Sagalassos’ die momenteel in het Yapi Kredi Cultural Centre in Istanboel staat volledig virtueel, met de mogelijkheid tot VR, te bezoeken: een aanrader!

Egypte & de rest van de wereld

Ook in Egypte en de rest van de wereld zijn er allerhande initiatieven om in deze periode – en hopelijk nadien – digitaal de Oudheid (en andere historische periodes) in beeld te brengen. Het Egyptische minsterie van toerisme besloot om de dagelijkse lichtshow op plateau van Gizeh aan te passen aan COVID-19 en liet boodschappen zoals “Experience Egypt from Home. Stay Home. Stay Safe.” in het Engels en Arabisch op de piramides projecteren. Bovendien lieten ze het slechte nieuws dat de opening van het Grand Egyptian Museum in Caïro nog tot 2021 op zich zou laten wachten, volgen op het goede nieuws dat verschillende toeristische trekpleisters in digitale vorm te bezoeken zouden zijn. Blikvangers hierbij zijn het graf van Meresanch III (de nicht en vrouw van farao Chefren), het graf van Menna (een hooggeplaatste Egyptische functionaris uit de 18de dynastie) en het rode klooster van Sohag (gesticht in het begin van de 4de eeuw n.C. door de heilige woestijnvader Pischoi). Ook het graf van Ramses VI uit de Vallei der Koningen is op deze manier te bezoeken (en daarbij kan je proberen om de verschillende graffiti met zijn naam die Dryton, een Griekse officier uit de 2de eeuw v.C. uit de regio van Thebe, hier als toerist heeft achtergelaten). Elke virtuele ervaring bevat gedetailleerde 3D-beelden waarmee gebruikers kunnen “wandelen” door op hotspots langs de verdiepingen van de structuren te klikken.

Ook in de Verenigde Staten bieden meerdere musea hun collectie digitaal aan. Het bekende Metropolitan Museum (‘The Met’) uit New York bezit ook een hele schare antiquiteiten uit de Oudheid. De historische tijdlijn op de website van Google Arts & Culture maakt het mogelijk om chronologisch door hun collectie van Egyptische, maar ook Grieks-Romeinse objecten te scrollen. Hetzelfde kan je doen voor het J. Paul Getty Museum in Los Angeles, dat eveneens over een uitgebreide collectie Griekse, Romeinse en Etruskische beelden en vazen beschikt, bovendien tentoongesteld in een replica van de ‘Villa dei Papiri’ in Herculaneum.

Ook in andere continenten vinden we musea die (gedeeltelijk) gewijd zijn aan de Oudheid en hun collectie digitaal openstellen. Het befaamde Hermitage Museum van Sint-Petersburg doet dat door alle zalen van het grote Russische museumcomplex (waaronder enkele tientallen in het teken van Griekse of Romeinse kunst) virtueel te laten bezoeken. Ook het Braziliaanse Museu Nacional in Rio de Janeiro, dat in 2018 een zware brand te verwerken kreeg, werd opgenomen in het Arts & Culture-project. Daardoor zijn een heleboel hoogtepunten uit hun oudheidkundige collectie (Egyptische mummies, maar ook Griekse kunst of fresco’s uit Pompeï) nog in digitale vorm bewaard gebleven en kan dit mogelijk waardevol blijken bij een eventuele restauratie van de gevonden resten van deze collectie.

Games over de Oudheid

Ook games bieden enorme mogelijkheden om de Oudheid digitaal te recreëren, denk maar aan de reeks Assassins Creed, waarvan een game (‘Origins’) zich afspeelde in Ptolemaeïsch Egypte, en een andere (Odyssey) het Griekenland ten tijde van de Peloponnesische Oorlog opnieuw tot leven bracht. De ontwikkelaars van deze reeks (Ubisoft) staken enorm veel tijd in het zo realistisch mogelijk nabootsen van de historische setting (bijvoorbeeld de gebouwen, maar ook klederdracht). Hierdoor brachten ze voor beide games ook een ‘Discovery Mode’ uit, die door leerkrachten geschiedenis, maar ook door classici kan worden gebruikt om op een educatieve manier deze periodes uit de Oudheid te onderwijzen.

Ook VR en AR hebben het potentieel om ooit (in games of in educatieve applicaties) een meerwaarde te creëren, maar dit hangt natuurlijk sterk samen met de technologische ontwikkelingen. De laatste jaren hebben bepaalde toepassingen (zoals een VR-bril of mobiele AR-applicaties) dankzij hun goedkopere ontwikkeling en prijs meer en meer aan populariteit gewonnen, maar de definitieve doorbraak hiervan laat momenteel toch nog even op zich wachten.

Alleen nog digitale cultuur?

We leven momenteel in onzekere tijden, maar het lijkt toch niet uitgesloten dat we weldra opnieuw in staat zullen zijn om te reizen. Dat zou dan ook betekenen dat we opnieuw (oudheidkundige) musea en sites ter plaatse kunnen gaan bewonderen, iets dat voorlopig – in onze ogen althans – niet kan vervangen worden door de digitale of virtuele alternatieven. Het is natuurlijk wel toe te juichen dat meer en meer culturele organisaties – ook in België, echter wel met wat achterstand op vele (rijkere) buitenlandse organisaties – hun collecties, zowel objecten als onderzoek, digitaal ter beschikking stellen. Dit laat namelijk een meer democratische toegang tot bijvoorbeeld de Oudheid toe (hoewel dit natuurlijk ook sterk afhankelijk is van al dan niet toegang tot technologie) en initiatieven zoals Google Arts & Culture zorgen voor een lagere instapdrempel bij online tentoonstellingen opgebouwd rond specifieke thema’s of collecties. Toch kijken we al uit naar het moment waarop we opnieuw in Rome kunnen rondstruinen langs de vele bezienswaardigheden, in Griekenland kunnen rondtrekken van Sparta tot Athene of in Egypte nogmaals alle Grieks-Romeinse tempels kunnen bezichtigen. Tot dan behelpen we onszelf maar met elke week minstens eenmaal een van de hierboven opgesomde alternatieven virtueel te bezoeken…

10/04/2021: deze blogpost werd geüpdatet met enkele recente toevoegingen van virtuele activiteiten uit onder meer het GRM, de Nederlandse musea, de virtuele tours van de Acropolis en de Romeinse musea en het ‘Baalbek Reborn’-project.

Het bericht Cultuur tijdens Corona: beleef de Oudheid vanuit je zetel van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/22/04/2020/cultuur-tijdens-corona-beleef-de-oudheid-vanuit-je-zetel/feed/ 0 1505
Aan het kruis genageld: de kruisiging van Jezus in historisch perspectief https://www.oudegeschiedenis.be/05/04/2018/aan-het-kruis-genageld-de-kruisiging-van-jezus-in-historisch-perspectief/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/04/2018/aan-het-kruis-genageld-de-kruisiging-van-jezus-in-historisch-perspectief/#comments Thu, 05 Apr 2018 16:08:52 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=779 schilderij 'De kruisiging' door Giovanni di Paolo di Grazia (ca. 1447)

In de Goede Week die uitmondt in Paaszondag herdenken we niet alleen de verrijzenis van Jezus Christus uit het graf, maar ook zijn dood door kruisiging die eraan vooraf ging op Goede Vrijdag. Dat de zoon van God de bekendste historische figuur is die op deze manier werd terechtgesteld door de Romeinen is een understatement, maar hij was lang niet de enige. Toch heerst er nog veel controverse over deze gruwelijke vorm van terechtstelling in het Romeinse Rijk.

Het bericht Aan het kruis genageld: de kruisiging van Jezus in historisch perspectief van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
schilderij 'De kruisiging' door Giovanni di Paolo di Grazia (ca. 1447)

In de Goede Week die uitmondt in Paaszondag herdenken we niet alleen de verrijzenis van Jezus Christus uit het graf, maar ook zijn dood door kruisiging die eraan vooraf ging op Goede Vrijdag. Dat de zoon van God de bekendste historische figuur is die op deze manier werd terechtgesteld door de Romeinen is een understatement, maar hij was lang niet de enige. Toch heerst er nog veel controverse over deze gruwelijke vorm van terechtstelling in het Romeinse Rijk.

Kruisiging als pre-Romeinse executiemethode

Voor de Romeinse periode was een bepaalde vorm van kruisiging als executie al bekend bij andere antieke volkeren zoals de Assyriërs en de Egyptenaren. Al in de oudste wetteksten uit de Codex Hammurabi uit de 18de eeuw v.C. komt mogelijk de vroegste vermelding van een kruisiging voor, hoewel niet in de later bekende vorm: in het geval een vrouw overspel zou plegen en haar man en de echtgenote van haar minnaar zou vermoorden, worden zowel zij als haar minnaar aan een paal gespietst (Cod. Ham. 153).

Voor Egypte zijn er verschillende bronnen, waaronder inscripties op papyrus, met verschillende hiërogliefen die verwijzen naar het spietsen op een paal. Ook bij de veldtocht van de Assyrische heerser Šalmanassar III in de 9de eeuw v.C. werden Syriërs geëxecuteerd door hun onderste delen te spietsen met een paal, zo toont één van de reliëfs op de bronzen poorten van Balawat. Deze methode werd nadien ook nog door onder meer Darius I gebruikt om 3000 Babyloniërs terecht te stellen, zo blijkt uit de zogenaamde drietalige Behistuninscriptie en het relaas van Herodotus (III,159). Diezelfde Griekse geschiedschrijver vernoemt in zijn Historiai nog enkele keren de techniek van het spietsen, onder andere in zijn beschrijving van Astyages, de laatste koning van de Meden (I,128) en Oroetes, de gouverneur van Sardis die zijn tegenstander Polykrates, tiran van Samos (III,125) liet executeren. Bij deze laatste was het opvallend dat de man al dood was voor hij werd gespietst of gekruisigd. Herodotus gebruikt twee werkwoorden voor de terechtstelling, anaskolopizō (ἀνασκολοπίζω) en anastauroō (ἀνασταυρόω), die beide als ‘op een staak spietsen’ kunnen worden vertaald.

Afbeelding van gespietste Syrische gevangen tijdens de veldtocht van Šalmanassar III, te zien op de Balawat-poort

Ook bij de Grieken kwam kruisiging voor en wel in een vorm die nauwer aansluit bij wat de Romeinen deden. Nog bij Herodotus lezen we namelijk in zijn verslag over de Tweede Perzische Oorlog van Xerxes (IX,120) dat de Atheense generaal Xanthippus, de vader van Pericles, Artayctes, een gevangengenomen Perzische generaal, levend aan een plank liet nagelen. Alexander de Grote doodde volgens historiograaf Quintus Curtius Rufus 2000 inwoners van Tyrus door hen aan een kruis te hangen (crucibus adfixi) op een groot gedeelte het strand (Hist. Alex. IV,4,7).

Paal of kruis?

Gravure van een crux simplex ad infixionem met een gespietste terdoodveroordeelde, uit een boek van Justus Lipsius

Etymologisch gezien verwijzen de Griekse termen voor kruisiging naar een opgerichte paal of staak (stauros). Ons woord kruis daarentegen is afgeleid van het Latijnse crux, zoals kruisiging van crucifixio, letterlijk het fixeren/vasthangen (facere) aan een kruis. In de Romeinse periode waren er verschillende vormen van kruisigingen: aan een boom (infelix lignum), een opgerichte paal (crux simplex) of een samengesteld kruis (crux composita) dat bestond uit een opgerichte paal (stipes) en een dwarsbalk (patibulum). Naar vorm kwam dit laatste kruis voor als een X-vormig kruis (crux decussata), een Latijns kruis (crux immissa) of een T-vormige Tau-kruis (crux commissa). Het kruis kon ook hoog zijn (crux sublimis), maar in de meeste gevallen ging het om een laaghangend kruis (crux humilis). Naar afmetingen was de opstaande balk ongeveer tussen 1,8 en 2,4 meter hoog en de dwarsbalk tussen 1,5 en 1,8 meter lang. Kruisen konden meer dan 120 kilogram wegen, waarbij het patibulum soms al tot 60 kilogram zwaar kon zijn.

De Romeinse methode ging meestal als volgt: eerst werd de verticale paal in de grond geplaatst, waarna de dwarsbalk pas eraan werd bevestigd nadat de ter dood veroordeelde eraan was genageld of gebonden. Een inscriptie (titulus) werd soms ook nog bij aan de paal genageld boven het hoofd van het slachtoffer. Seneca bevestigt dit in zijn De Consolatione ad Marciam:

Video istic cruces non unius quidem generis sed aliter ab aliis fabricatas: capite quidam conversos in terram suspendere, alii per obscena stipitem egerunt, alii brachia patibulo explicuerunt. (VI,20,3)

Ik zie daar kruisen, niet slechts van een soort, maar gemaakt op veel verschillende manieren: sommige hebben hun slachtoffers met hun hoofd op de grond, anderen aan hun private delen gespietst, nog anderen strekken hun armen uit op de dwarsbalk.

De voornaamste doodsoorzaak bij de Romeinse vorm van kruisigen zou verstikking door zuurstoftekort of hartfalen zijn. Dit treedt bij een normale hangende positie aan het kruis al op na minder dan een uur, maar door de toevoeging van zogenaamde sediles, bankjes voor de voeten of het zitvlak om op te rusten, kon de lijdensweg die tot de dood leidde met enkele uren worden verlengd.

Kruisiging bij de Romeinen

Hoe de Romeinen met kruisiging als executiemethode in contact kwamen is niet zeker, maar een plausibele uitleg lijkt dat ze na de Tweede Punische Oorlog (218 v.C. – 201 v.C.) met de Carthagers -die kruisigingen gebruikten om zelfs hun generaals die faalden in de oorlog terecht te stellen- ook deze techniek begonnen toe te passen. Livius beschrijft in zijn Ab Urbe Condita de eerste keer dat de Romeinen 25 slaven kruisigden tijdens de campagne tegen Hannibal:

Per eosdem dies speculator Carthaginiensis, qui per biennium fefellerat, Romae deprensus praecisisque manibus dimissus, et servi quinque et viginti in crucem acti, quod in campo Martio coniurassent. (XXII,33)

Rond die tijd werd in Rome een Carthaagse spion opgepakt, die zich gedurende twee jaar aan de gevangenneming had onttrokken, en nadat zijn handen waren afgesneden, mocht hij gaan, en werden 25 slaven gekruisigd, op beschuldiging van samenzwering op het Marsveld.

In de daaropvolgende jaren raakten kruisigingen ook verder ingeburgerd in het Romeinse leger, bijvoorbeeld wanneer Scipio Africanus in 201 v.C. na de val van Carthago de perfugae of deserteurs uit zijn leger, allen Romeinen, dezelfde doodstraf oplegt. (Liv. XXX,43)

Kruisiging werd gebruikt als executiemiddel voor slaven, piraten en criminelen die geen Romeins burgerschap bezaten. Een uitzondering op die laatste regel vormden de deserteurs of burgers die beschuldigd werden van hoogverraad. Tijdens de Republiek kruisigde Crassus in de nasleep van de opstand van Spartacus, ook bekend als de Derde Slavenoorlog, 6000 van diens aanhangers en deze zorgden er volgens Appianus voor dat de volledige weg van Capua naar Rome vol stond met kruisen.

Kruisigingsscène uit de film Spartacus (1960) van Stanley Kubrick met Kirk Douglas in de hoofdrol

Ook de Cilicische piraten die Caesar ontvoerden in 75 v.C. kwamen volgens de biografie van Plutarchus op deze manier aan hun einde. In 70 v.C. trad Cicero op als advocaat tegen Verres, de gouverneur van Sicilië, die een Romeins burger met de naam Gavius liet kruisigen, ondanks zijn burgerschap. De redenaar beschouwt kruisiging als de meest wrede en onterende (crudelissimi taeterrimique) straf (In Verrem II,5,165). In dezelfde rechtszaak spreekt hij ook het volgende uit:

Facinus est vincire civem Romanum, scelus verberare, prope parricidium necare: quid dicam in crucem tollere? Verbo satis digno tam nefaria res appellari nullo modo potest. (In Verrem II,5,170)

Het is een misdaad om een Romeins burger te knevelen, hem geselen is een boosaardigheid, hem ter dood brengen is bijna vadermoord: en dan wat te zeggen over hem kruisigen? Dat is zo’n schuldige handeling die onmogelijk adequaat kan worden uitgedrukt met een term slecht genoeg ervoor.

In de keizertijd kwam het al wel eens voor dat een libertus, een vrijgelaten slaaf, niet aan de kruisiging ontsnapte. Dit was bijvoorbeeld het geval bij Asiaticus, die nadat zijn meester Vitellius in het vierkeizerjaar 69 was verslagen, werd gekruisigd. (Tac. Hist. IV,11,10). Bij de massale kruisiging van slaven lijkt het niet onwaarschijnlijk dat af en toe ook vrouwen en kinderen niet aan deze doodstraf ontsnapten. Zo schreef Publius Cornelius Tacitus in zijn Annales (XIV,45) dat leeftijd noch geslacht een invloed had op de uitvoering van deze vorm van executie en dat onder de slaven die gekruisigd werden voor de moord door één van hen op hun meester Lucius Pedanius Secundus zich ook vele vrouwen en kinderen bevonden. Zo kennen we ook het voorbeeld van een vrouwelijke libertaIde, die werd gekruisigd op bevel van keizer Tiberius, en van wie het verhaal ons is overgeleverd door Flavius Josephus (Antiquitates Iudaicae, XVIII,3,4). De Joodse geschiedschrijver (en legerleider) vertelt in datzelfde boek ook over de koning en hogepriester van de Joodse Hasmonese staat, Alexander Iannaeus, die in 88 v.C. na een Farizeeënopstand 800 van zijn tegenstanders liet kruisigen (XIII,380). In de literaire bronnen uit de Romeinse periode lezen we dus steeds over kruisigingen door ophanging, met uitzondering van de Britse koningin Boudicca die in de revolte van 60/61 de gruwelijke methode van het op een staak spietsen nog toepaste op Romeinse matrones en Plutarchus die beide methoden nog beschrijft in zijn Moralia (499D). Tot slot kennen we natuurlijk nog de spietsing van Cicero’s handen en hoofd aan de Rostra, maar dat gebeurde na zijn executie en was meer bedoeld als afschrikking voor de andere politieke tegenstanders van het tweede triumviraat (uit Appianus‘ Bellum Civile 4,20).

Uit de spelen van Plautus, ook al zijn het komedies, en andere literaire bronnen zoals Plutarchus kunnen we al enkele details afleiden van hoe de kruisiging bij de Romeinen concreet werd uitgevoerd. Plautus (Carbonaria, fr. 2) vermeldt bijvoorbeeld dat de terdoodveroordeelde met het patibulum naar de plek waar de verticale balk van kruis was opgetrokken, moest wandelen en vervolgens eerst aan de dwarsbalk werd genageld, alvorens die balk horizontaal aan de opgerichte paal werd bevestigd. Ook Plutarchus (De Sera 554b) vermeldt dat de veroordeelde het kruis op zijn rug moest dragen (en waarschijnlijk gaat het hier ook enkel over de dwarsbalk).

Graffito uit Puteoli met afbeelding van een gekruisigde vrouw, Alkimillatekening door prof. Antonio Lombatti

Graffito uit Puteoli met afbeelding van een gekruisigde vrouw, Alkimilla

Diezelfde procedure blijkt ook uit een wettekst voor begrafenisondernemers (AE 1971, 88) die in de Italiaanse kuststad Puteoli is gevonden. De wet schrijft onder meer voor dat eigenaars die een slaaf willen laten kruisigen zelf moet opdraaien voor alle kosten zoals de houten palen (waaronder het patibulum), kettingen en koorden voor de zweepslagen. Ook de kosten voor diegenen die deze zaken naar de plaats van executie brengen en voor de beul zelf zijn ten laste van de eigenaar. In een andere sectie van de wet wordt ook gesproken over publieke executies, uitgesproken door magistraten (mogelijk voor het laten kruisigen van vreemdelingen en burgers uit de lagere klassen). Daarbij moeten de de aannemers van zulke opdrachten gratis het volgende voorzien: kruisen (cruces), nagels, pek, was en kaarsen. Die laatste drie zaken waren voor het martelen van de gevangen voor ze werden gekruisigd, een praktijk die gangbaar was in de Romeinse periode. De terdoodveroordeelde werd eveneens voor het kruisigen eerst van zijn kleding ontdaan en vervolgens vaak nog aan zweepslagen onderworpen.

Een graffito die eveneens uit Puteoli afkomstig is, daterend uit de tijd van Trajanus of Hadrianus, bevestigt dat de terdoodveroordeelde naakt aan het kruis werd gespijkerd. Op de afbeelding, gevonden op taberna 5, een gasthuis, is een naakte vrouw aan het kruis te zien. Het opschrift vermeldt nog haar naam, Alkimilla, die mogelijk op de titulus was geschreven (tenzij het hier eerder over een vervloeking dan over een echte representatie zou gaan).

Daarnaast hebben we nog archeologische bewijs. Het eerste daarvan komt uit Jeruzalem, waar in een graftombe de overblijfselen van een gekruisigde man samen met zijn kind zijn ontdekt. Een opschrift op de tombe geeft ons de naam van beiden: yhwḥann / yhwḥann bn ḥgqwl (Jehohanan, Jehohanan ben Hagkol). De overblijfselen van beide hielen van de man zijn doorspijkerd met een nagel, terwijl de handen en polsen van de man dit niet hebben, er waarschijnlijk op duidend dat zijn armen waren vastgebonden aan de dwarsbalk, in plaats van gespijkerd. Een tweede geval werd in 2007 opgegraven in het Italiaanse Gavello, zo’n 75 kilometer van Venetië. Het gaat hier opnieuw om een man, begraven in een geïsoleerd graf zonder grafgiften, wiens rechterhiel doorboord was. Na een multidisciplinair onderzoek concludeerden wetenschappers dat dit waarschijnlijk ook zal gebeurd zijn bij de kruising van deze man (mogelijk een slaaf of misdadiger) waarbij een nagel zou zijn gebruikt om hem in een open of rechtshangende positie te fixeren. Dat archeologen nog niet meer dergelijke voorbeelden hebben gevonden, kan verschillende oorzaken hebben. De de kostprijs van de nagels kan ervoor hebben gezorgd dat er een voorkeur werd gegeven aan het kruisigen met het gebruik touw, maar ook het hergebruik van de nagels en de sociale positie van de gekruisigden maken het aannemelijk dat er op dit moment niet meer materieel bewijs is gevonden.

Vondst van een skelet in Fenstanton met een spijker in de rechterhiel

Toch bracht een vondst uit 2017 uit het Britse graafschap Cambridgeshire mogelijk nieuw bewijs voor een kruisiging aan het licht. Op de site van een oude melkfabriek in Fenstanton, in het oosten van Engeland, werden toen de overblijfselen van een Romeinse nederzetting gevonden met daarbij ook enkele begraafplaatsen. In één daarvan troffen archeologen het skelet van een jonge man, tussen de 25 en 35 jaar oud, aan, maar pas toen het enige tijd later in het laboratorium werd schoongemaakt merkten onderzoekers op dat er een gat in zijn rechterhiel zat, doorboord door een 5 centimeter lange spijker. Koolstofdatering maakte duidelijk dat hij tussen 130 en 360 n.C. gestorven is en een DNA-analyse toonde aan dat hij geen familie was van andere overledenen uit de begraafplaatsen, maar dat hij wel tot de plaatselijke bevolking behoorde.

Naast de spijker in zijn hiel werden nog enkele belangrijke aanwijzingen gevonden voor een dood door kruisiging. Zo lag de man naast een houten constructie, vermoedelijk de plank waaraan hij was vastgebonden, had hij 6 gebroken ribben (misschien veroorzaakt door een zwaard) en een ontsteking aan zijn dunne benen, allemaal aanwijzingen dat hij waarschijnlijk vastgebonden was. Naast deze (impliciete) tekenen dat het hier mogelijk om een misdadiger gaat die eerst werd gemarteld en vervolgens aan het kruis genageld, werden in hetzelfde graf ook nog 12 andere ijzeren spijkers gevonden. Een ondiep gaatje in het rechterbot van de man, hetzelfde been waarin de dertiende nagel door zijn rechterhiel was geslagen, suggereert dat een eerste poging om het te kruisigen niet was gelukt. Volgens de onderzoekers maakt dit alles van het opgegraven skelet het eerste – en het best bewaarde – archeologische bewijs van een kruisdode in Noord-Europa.

De kruisiging van Jezus

Flavius Josephus geeft ons nog een breder beeld over het gebruik van kruisigingen bij Joden. In zijn De Bello Iudaico over de Joodse Oorlog tegen keizer Titus verhaalt hij (V,11) hoe Joodse opstandelingen werden gekruisigd langs de muur van Jeruzalem en hoe de Romeinse soldaten er genoegen in schepten om hun lijden te verlengen door hen in verschillende posities te kruisigen, zodat hun doodsstrijd langer zou duren. Daarnaast haalt hij ook aan dat in sommige gevallen Joden van goede afkomst werden gekruisigd, als het ware om te tonen dat zij door hun misdaad en bijhorende straf hun status waren kwijtgeraakt. Een ander voorbeeld van een massale kruisiging vinden we in zijn Antiquitates Iudaicae (XVII,10,295) waar Publius Quinctilius Varus – later bekend als de Romeinse generaal die in het Teutoburgerwoud met zijn troepen werd afgeslacht door de Germanen – 2000 Joodse rebellen kruisigde na de Joodse opstand van 4 v.C.

Ook in het Oude Testament leren we al iets over de herkomst van kruisiging als straf. Een passage in Deuteronomium (21:22-23) levert veel onzekerheid op bij bijbelonderzoekers. Waarbij vroeger werd gedacht dat een Joodse man kon worden veroordeeld tot de dood en nadien zou worden opgehangen, menen onderzoekers nu dat het woord talah mogelijk toch zou moeten worden geïnterpreteerd als gespietst aan een staak. Weliswaar gebeurde dit enkel met het hoofd van een veroordeelde nadat hij al was geëxecuteerd op een traditionele manier volgende de Joodse wet: door steniging, verbranding, wurging of onthoofding. In andere passages (Genesis 40:19 en Esther 7:10) wordt al gerefereerd aan de traditie van ophanging, kruisiging of spietsen, bij de oude Egyptenaren en de Perzen, maar ook hier zijn deze interpretaties niet onomstreden. Hoewel kruisiging dus waarschijnlijk niet tot het vroegste Joodse recht behoorde, lijkt het mogelijk dat door de Romeinse invloed deze doodstraf ook nadien werd toegepast bij misdaden waarbij de misdadiger op een zo beschamend mogelijke manier moest worden terechtgesteld.

Hoewel de historiciteit van Jezus intussen niet echt meer wordt betwijfeld, blijven er toch nog heel wat onzekerheden (o.a. over de datering in het jaar 30 of 33) bestaan over het kruisigingsverhaal dat ons voornamelijk is overgeleverd via de vier evangelisten. Wat betreft het waarom van zijn veroordeling tot het kruis door Pontius Pilatus, prefect van Judaea (praefectus Iudaeae) kunnen we vermoeden dat het hier om zogenaamde majesteitsschennis gaat. Kajafas, de hogepriester van de Joodse tempel in Jeruzalem, ondervroeg Jezus na zijn veroordeling door de Joodse raad of sanhedrin (die de wettelijke veroordeling tot de doodstraf overlieten aan de Romeinen) over zijn claim als messias of ‘Koning der Joden’. De bestraffing van deze vorm van hoogverraad (vroeger bekend als perduellio, maar in Jezus’ tijd waarschijnlijk al gekend onder de term maiestas) was tijdens de regering van Tiberius een gekende manier om politieke tegenstanders uit de weg te ruimen.

Over de prelude naar de executie kunnen we uit uit de evangelies (Matteüs 27:27, Marcus 15:15, Lucas 23:16, Johannes 19:1) en ook uit de Eerste brief van Petrus (2:24) afleiden dat ook Jezus naar Romeins gebruik eerst afgeranseld werd in het praetorium en mogelijk ontdaan werd van zijn kleding, waarschijnlijk met meer dan 39 zweepslagen zoals het Joods recht voorschrijft (Deuteronomium 25:3). Daarna werd hij nog bespot en geslagen door Romeinse soldaten en de vazalkoning van Galilea en en Perea, Herodes Antipas (Lucas 23:11), die hem tooiden met een rode (Matteüs 27:28) of purperen (Marcus 15:17) toga -een verwijzing naar zijn zogenaamde koningschap-, een houten staf als scepter en een doornenkroon. Vervolgens moest hij (al dan niet met hulp van Simon van Cyrene) het kruis – waarschijnlijk enkel met de patibulum of dwarsbalk zoals bleek uit Plautus – dragen naar de plaats van zijn executie buiten de muren van Jeruzalem, Golgotha.

Aangekomen op de plaats van executie werd een titulus met het opschrift ‘Jezus van Nazareth, Koning der Joden’ werd in drie talen (Hebreeuws, Latijn en Grieks) aangebracht volgens Johannes (19:20; de drie andere evangelisten vermelden een kortere variant op ‘Koning der Joden’). Over de concrete uitvoering van de kruisiging worden we weinig wijzer, buiten het feit dat dezelfde evangelist nog beschrijft dat een Romeinse soldaat met zijn lans een steekwonde aanbracht in de zij van Jezus (mogelijk de oorzaak van zijn dood). Zijn benen werden ook niet meer gebroken, omdat de soldaten merkten dat hij net daarvoor gestorven was, iets dat wel gebeurde met de twee misdadigers die naast hem waren gekruisigd (Johannes 19:30-34). Dat Christus gekruisigd werd met nagels lijkt aannemelijk, het archeologische bewijs -hoewel: testis unus testis nullus– ondersteunt op zijn minst het nagelen van de voeten aan het kruis en de armen gespreid. De stigmata aan zijn handen (Johannes 20:25) kunnen erop wijzen dat hetzelfde ook gebeurde met zijn handen. Dit alles zou ook betekenen dat Jezus aan een samengesteld kruis werd gekruisigd en niet simpelweg aan een rechtopstaand crux simplex, zoals sommige geleerden hebben proberen aantonen. De Alexamenos-grafitto, een mogelijke afbeelding van Jezus’ dood gevonden in de buurt van de Palatijnse heuvel in Rome en waarschijnlijk stammend uit de 3de eeuw n.C., lijkt dit te bevestigen, hoewel ook hierover de meningen uiteenlopen.

Kruisigingsscène uit de film ‘The Passion of the Christ’ (2004) van Mel Gibson

Volgens Marcus (15:25) gebeurde de kruisiging van Jezus tijdens het derde uur (om ongeveer 9 uur ’s ochtends) en duurde zijn doodstrijd zes uur. Dat zou extreem lang zijn, tenzij een voet- of zitbank zou zijn gebruikt zodat het zuurstoftekort pas na enkele uren zou optreden. Johannes (19:14) beschrijft de uitvoering van de doodstraf aan het kruis op het zesde uur (rond de middag). Dat Christus met zijn laatste adem nog enkele woorden kon uitspreken lijkt onwaarschijnlijk en past vooral binnen de religieuze context van het messiasverhaal.

Nadien werd het lichaam van Jezus nog opgevraagd bij Pilatus. Zowel bij Matteüs, Lucas als Marcus vinden we het verhaal dat Jozef van Arimathea vroeg om het lichaam te mogen begraven en dat de Romeinse prefect dit toestond. Het vervolg van het verhaal en Christus’ verrijzenis die elk jaar nog wordt herdacht met Pasen kennen we.

Conclusie

De kruisiging van Jezus was zowel een logische als een onlogische straf in het historische perspectief van het gebruik van deze executiemethode. Hoewel de Romeinen kruisiging niet hebben uitgevonden, hebben ze deze gruwelijke vorm van terechtstelling wel afgeleid van de methode om terdoodveroordeelden of reeds geëxecuteerde personen aan een paal te spietsen en geperfectioneerd. Deze zware straf werd normaal gezien enkel uitgesproken tegen slaven, vreemdelingen, revolutionairen of zware criminelen die geen Romeins burgerrecht bezaten (enkele uitzonderingen zoals deserteurs niet te na gesproken). Ook na Jezus kennen we nog verschillende voorbeelden van gekruisigde christenen, van wie sommigen zoals de apostelen Petrus en Andreas later ook heilig werden verklaard.

Zoals uit de literaire bronnen blijkt, was kruisiging ook een manier om een veroordeelde te vernederen – een teken van schande – en zwaar te doen afzien tijdens het volledige proces. In de meeste gevallen zal een combinatie van zuurstoftekort, wonden opgelopen bij het martelen voor de executie en andere lichamelijke verschijnselen ten gevolge van het kruisigen tot de dood hebben geleid. In Jezus’ geval kunnen we ervan uitgaan dat hij een te grote politieke tegenstander (verzwaard door zijn voorstelling als ‘Koning der joden’) van zowel de heersende Joodse klasse als de Romeinen zal zijn geworden, waarna ook tegen hem de doodstraf door kruisiging werd uitgesproken. Over de details van de kruisiging, net zoals over de methode zelf, heerst nog veel controverse, gaande van het gebruikte materiaal tot de exacte omstandigheden.

Uiteindelijk zou het nog duren tot Constantijn de Grote aan het begin van de 4de eeuw n.C. kruisiging als executiemethode zou verbieden. Dit verbod, waarvan geen edict is teruggevonden, maar enkel een passage bij Sozomenus (Historia Ecclesiastica I,8,13), werd volgens de historiograaf Aurelius Victor (De Caesaribus, XLI,4) meer ingegeven door des keizers menselijkheid, dan door religieuze overtuigingen. De christelijke bekeerling, astroloog en schrijver Firmicus Maternus, een tijdgenoot van Constantijn die nog schreef onder diens opvolgers, gebruikt in zijn voorspellingen kruisiging als voorbeeld van een traditionele doodstraf (Mathesis VIII,7; VIII,25). De duidelijkste wettekst die een verbod instelt op kruisigingen is de codex van keizer Theodosius II (Codex Theodosianus), die werd uitgevaardigd in 438/439 n.C., meer dan een eeuw later dan keizer Constantijn, hoewel de doodstraf in gebruik bleef voor slaven die tegen hun meester samenzwoeren (IX,5,1,1). In sommige landen in het Midden-Oosten bestaat kruisiging als executiemethode ook nog vandaag de dag.

Lees meer

Cook, J. G. (2014), Crucifixion in the Mediterranean World, Tübingen.

Hengel, M. (1977), Crucifixion in the Ancient World and the Folly of the Message of the Cross, Philadelphia.

Kuhn, H.-W. (1982), “Die Kreuzesstrafe während der frühen Kaiserzeit. Ihre Wirklichkeit und Wertung in der Umwelt des Urchristentums” in ANRW II/25.1, pp. 648-793.

Robison, J. C. (2002). “Crucifixion in the Roman World: The Use of Nails at the Time of Christ.” Studia Antiqua 2.1.

Samuelsson, G., (2013), Crucifixion in Antiquity. An Inquiry into the Background of the New Testament Terminology of Crucifixion (2nd edition), Tübingen.

Coverfoto: schilderij ‘De kruisiging’ door Giovanni di Paolo di Grazia (ca. 1447), uit het Rijksmuseum

Update I: dit artikel werd begin 2020 aangevuld met het archeologisch bewijs uit Gavello na de wetenschappelijke publicatie in: Gualdi-Russo, E. et al. (2019), “A multidisciplinary study of calcaneal trauma in Roman Italy: a possible case of crucifixion?” in Archaeological and Anthropological Sciences 11, pp. 1783–1791.

Update II: dit artikel werd in december 2021 aangevuld met nieuw archeologisch bewijs uit Cambridgeshire dat werd gepubliceerd in: Ingham, D. & Duhig, C. (2021), “Crucifixion in the Fens: Life and Death in Roman Fenstanton” in British Archaeology Magazine, January | February 2022.

Het bericht Aan het kruis genageld: de kruisiging van Jezus in historisch perspectief van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/04/2018/aan-het-kruis-genageld-de-kruisiging-van-jezus-in-historisch-perspectief/feed/ 1 779