Sofie Waebens, auteur op OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sat, 12 Sep 2020 15:28:11 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Sofie Waebens, auteur op OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be 32 32 136391722 Voetbal in de Oudheid: feit of fabel? https://www.oudegeschiedenis.be/13/07/2018/voetbal-in-de-oudheid-feit-of-fabel/ https://www.oudegeschiedenis.be/13/07/2018/voetbal-in-de-oudheid-feit-of-fabel/#respond Fri, 13 Jul 2018 15:35:24 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=945 "Ball Players" in het National Archeological Museum in Athene.

Waar en wanneer is voetbal eigenlijk ontstaan? Voor zover bekend kwam het voetbal zoals wij dat kennen pas door de standaardisering van de spelregels in de tweede helft van de 19de eeuw in Groot-Brittannië tot stand. In het oude China, Griekenland en Rome zouden echter reeds vroege vormen van voetbal bestaan hebben. Voetbal in de Oudheid: feit of fabel?

Het bericht Voetbal in de Oudheid: feit of fabel? van Sofie Waebens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
"Ball Players" in het National Archeological Museum in Athene.

Het WK voetbal in Rusland nadert stilaan zijn hoogtepunt, al is voor ons Belgen de kans verkeken op de wereldtitel. De Fransen bleken in de halve finale met 1-0 net te sterk voor onze Rode Duivels. Spijtig, al staat zaterdag wel nog de kleine finale op het programma, met de derde plaats als inzet. Met de overwinning op Brazilië schreef onze nationale ploeg trouwens alvast voetbalgeschiedenis, daar is iedereen het over eens. Maar over geschiedenis gesproken: waar en wanneer is voetbal eigenlijk ontstaan? Voor zover bekend kwam het voetbal zoals wij dat kennen pas door de standaardisering van de spelregels in de tweede helft van de 19de eeuw in Groot-Brittannië tot stand. In het oude China, Griekenland en Rome zouden echter reeds vroege vormen van voetbal bestaan hebben, zo is onder meer te lezen op de website van de FIFA, de wereldvoetbalbond. Voetbal in de Oudheid: feit of fabel? Tijd om de geschiedenis van het voetbal in te duiken en ons te verdiepen in deze populaire sport, die ook de inspiratie vormde voor één van de bekendste wetenschappelijke artikels over de Oudheid.

De vroegste geschiedenis: het oude China

Over de oorsprong van het voetbal heerst heel wat onduidelijkheid, maar de eerste balspelen dateren al van 3000 jaar geleden. Met name in China bestond reeds vanaf de 3de eeuw v.C. een balspel, Tsu-chu of cuju -letterlijk: “met de voet tegen een bal schieten”- genaamd, waarbij een leren, met veren of haren gevulde bal in een doel getrapt moest worden. Dit behendigheidsspel, dat in 2004 door de FIFA officieel erkend werd als de bakermat van het moderne voetbal, maakte oorspronkelijk deel uit van de training van soldaten, maar werd al snel opgepikt als tijdverdrijf door zowel de hogere als lagere klassen. Het werd gespeeld op een rechthoekig veld, met twee teams bestaande uit zes spelers en met aan weerszijden zes putten. Tijdens de Han-dynastie (206 v.C.-222 n.C., dus ongeveer ten tijde van het hellenisme en de vroege Keizertijd) verspreidde het spelletje zich over heel China en tijdens de daaropvolgende eeuwen groeide cuju zelfs uit tot een professionele sport, waarbij voortaan gespeeld werd met een met lucht gevulde bal en twee netten als doel.

Schilderij van Du Jin uit de Ming-dynastie, waarop te zien is hoe dames in elegante gewaden Cuju spelen

Vanaf de 10de eeuw ontstonden in de grote steden ook clubs, waar cuju onderricht werd, en werd een jaarlijks nationaal kampioenschap (Shan Yue Zheng Sai) georganiseerd. In het keizerlijk paleis werden ook geregeld wedstrijden gehouden tussen professioneel getrainde spelers op speciaal daarvoor voorziene speelvelden (Zhu Qiu). Deze vonden niet enkel plaats om de keizer en zijn entourage te vermaken, maar ook om belangrijke gelegenheden zoals de verjaardag van de keizer luister bij te zetten. Ook vrouwen namen overigens deel aan het spel, want op een schilderij daterend uit de Ming-dynastie (circa 1400-1500) zien we enkele hofdames, gekleed in elegante gewaden, een bal heen en weer trappen.

Een bijzondere archeologische vondst

Cover van FIFA News met de grafsteen van Gaius Laberius

Ook bij de Grieken en Romeinen waren balspelen populair, vooral in latere tijden. De oudste afbeelding van een voetbalspeler zou zelfs te vinden zijn op een Romeinse grafsteen uit de 1ste of 2de eeuw n.C., die gevonden werd in het Kroatische dorpje Sinj, niet ver van Split. In 1969 haalde deze grafsteen zelfs de voorpagina van het ‘FIFA News’-magazine met de kop ‘Archaeology and football‘. Volgens het bijhorend artikel, dat zich baseerde op de bevindingen van Josip Britvić, een lokale amateurarcheoloog, zou de grafsteen het bewijs zijn dat een vroege vorm van voetbal reeds van oudsher gespeeld werd in Dalmatië, het huidige Kroatië. Op de grafsteen is inderdaad een jongen afgebeeld met een bal met zeshoekige vlakken in zijn handen. Volgens het bijhorende opschrift stierf het jongetje, dat Gaius Laberius heette, reeds op zevenjarige leeftijd, tot groot verdriet van zijn moeder (TM 185762). Of dit betekent dat de oorsprong van het voetbal inderdaad in Kroatië moet worden gezocht, zoals Britvić beweert, laat het artikel in het midden, maar de grafsteen is om deze reden wel één van de attracties van Sinj en heeft zelfs een eigen Twitter-account (@GaiusLaberius).

Gezien de grootte van de bal wordt de grafsteen door onderzoekers echter eerder in verband gebracht met harpastum, een balspel dat bijzonder populair was in het hele Romeinse Rijk en zich vermoedelijk ontwikkelde uit phaininda of episkyros, twee Griekse balsporten die in ploeg gespeeld werden. Ook deze werden in het verleden overigens beschouwd als voorlopers van het moderne voetbal, voornamelijk op grond van de afbeelding van een episkyros-speler op een Attische vaas uit de 4de eeuw v.C. Het gaat hier om een jonge atleet, die als onderdeel van zijn training een bal laat balanceren op zijn opgetrokken rechterdijbeen, een houding die doet denken aan die van een voetbalspeler. Geen wonder dus dat deze “Maradona” in 1994 op Griekse postzegels prijkte als voorouder van een moderne voetbalspeler.

Griekse postzegel gemaakt voor het WK 1994 met afbeelding van de Episkyros-speler

Balspelen, goed voor de gezondheid?

De Grieks-Romeinse arts Galenus schreef een volledig werk over oefeningen met de kleine bal: De parvae pilae exercitu

Al waren balspelen dus wel degelijk populair in de Griekse wereld, niet enkel bij kinderen (zowel jongens als meisjes), maar ook bij atleten als onderdeel van hun training, toch tonen de schaarse geschreven bronnen aan dat de bal bij dergelijke spelen niet werd getrapt, maar gegooid. Sterker nog, de bekende Grieks-Romeinse arts Galenus raadde in de 2de eeuw n.C. in zijn werk ‘Oefeningen met de kleine bal’ balspelen zelfs aan als de ideale sport voor een gezond lichaam, want “het harde gooien van een bal over een vrij lange afstand, waarbij de benen weinig of zelfs helemaal niet gebruikt worden, oefent het bovenste gedeelte van het lichaam. Het zo ver mogelijk gooien van een bal na een lange, snelle loop, waarvoor weinig worpen nodig zijn, oefent het onderlichaam” (De parvae pilae exercitu 4).

In de Romeinse wereld genoten balspelen overigens een bijzonder grote populariteit, niet alleen bij de gewone bevolking, maar ook bij vooraanstaande politici en keizers zoals Caligula. Onder de ruim 10 000 teksten die werden teruggevonden in Pompeï, de stad die in 79 n.C. bedolven werd door de uitbarsting van de Vesuvius, vinden we onder meer het volgende opschrift: Epaphra philicrepus non est (“Epaphra is niet goed in balspelen”; TM 524723). Niet alleen op straat, maar ook in de publieke badhuizen werd overigens geregeld gebald, zoals blijkt uit archeologische vondsten in Pompeï en Herculaneum en uit de geschreven bronnen. Daarbij kon het er hevig aan toegaan: in de Digesta, een verzameling geschriften van Romeinse rechtsgeleerden, wordt melding gemaakt van een jonge slaaf die door één van de spelers ruw uit de weg werd geduwd en daarbij zijn been brak (9.2.52.4). Een andere slaaf had nog minder geluk: hij kwam om het leven tijdens een scheerbeurt omdat de barbier getroffen werd door een verdwaalde bal (9.2.11). Cave pilam, “Pas op voor de bal!”, het weerklonk ongetwijfeld regelmatig in de straten van Rome…

Apopudobalia – apo-wat?

Toen in 1996 het eerste deel verscheen van Der Neue Pauly, Enzyklopädie der Antike (één van de belangrijkste naslagwerken voor de Klassieke Oudheid), stelden heel wat historici zich vragen bij de bijdrage ‘Apopudobalia’, geschreven door de jonge Duitse academicus Mischa Meier. Hierin wordt immers een antieke vorm van voetbal, gekend uit de Grieks-Romeinse Oudheid, beschreven, evenals de bronnen waarin deze sport vermeld wordt. Bestond voetbal in de Oudheid dan toch? Het duurde echter niet lang voordat een artikel verscheen in The Petronian Society Newsletter 28 (1998), waarin niet minder dan zes fouten geïdentificeerd werden door de auteurs, waaronder de spelling van de Griekse auteur Achilles Tatius als Achilleus Taktikos en de datering van enkele bronnen. Een vervolgartikel van de hand van Werner Hübner in de volgende editie van The Petronian Society Newsletter maakte echter snel duidelijk dat Meier de naam van de Griekse auteur met opzet verkeerd had geschreven, want het artikel was als grapje bedoeld en dus van begin tot eind verzonnen (tot zelfs de twee bibliografische referenties toe: “A. Pila” verwijst naar bal in het Latijn en “B. Pedes” naar voeten, samen dus voetbal). Door tijdsnood en publicatiedruk was het fictieve artikel (in het Duits ‘U-Boot’) echter onopgemerkt gebleven en in druk verschenen. Gevraagd naar de reden waarom hij het artikel had verzonnen, zei Meier in een online interview in 2010:

Es war ein spontaner Einfall.

Al snel kwam aan het licht dat het artikel “nur ein lustiger Scherz war”, maar het grapje had Meier duur te staan kunnen komen: de uitgeverij dreigde er in eerste instantie mee alle drukken terug te laten roepen en de kosten op hem te verhalen, maar zag hier vanaf toen bleek dat de meeste onderzoekers het grapje wel konden waarderen. Voor wie het zich trouwens afvraagt: het artikel is ondertussen beroemd geworden en de auteur, Mischa Meier, is professor oude geschiedenis aan de universiteit van Tübingen. Eind goed, al goed!

Meer lezen?

W. Behringer, Kulturgeschichte des Sports: vom antiken Olympia bis ins 21. Jahrhundert, München 2012.
H.A. Harris, Sport in Greece and Rome, New York 1972, p. 75-111.
M. Meier, “Scherzeinträge in Lexika: Von Steinläusen und Kurschatten“, spiegel.de, 7 maart 2010.
S. Remijsen en W. Clarysse, “Balspelen” en “Sport in het oude China”, http://ancientolympics.arts.kuleuven.be.

Coverfoto: “Ball Players”, een marmeren reliëf uit het National Archeological Museum in Athene, foto genomen door Giovanni (CC-SA 2.0) op Wikimedia.

Het bericht Voetbal in de Oudheid: feit of fabel? van Sofie Waebens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/13/07/2018/voetbal-in-de-oudheid-feit-of-fabel/feed/ 0 945
“U die voorbijgaat… denk aan ons”: Romeinse grafopschriften onder de loep https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2017/u-die-voorbijgaat-denk-aan-ons-romeinse-grafopschriften-onder-de-loep/ https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2017/u-die-voorbijgaat-denk-aan-ons-romeinse-grafopschriften-onder-de-loep/#comments Tue, 31 Oct 2017 12:59:34 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=334 sarcophagus_AM_Agrigento

Grafmonumenten in alle vormen en maten, in de meeste gevallen vergezeld van een opschrift met informatie over de overledene, werden opgericht doorheen het hele Romeinse Rijk. Geen betere gelegenheid dan Allerzielen om Romeinse grafopschriften onder de loep te nemen.

Het bericht “U die voorbijgaat… denk aan ons”: Romeinse grafopschriften onder de loep van Sofie Waebens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
sarcophagus_AM_Agrigento

Monumentum est quod memoriae servandae gratia existat (D 11.7.2.6).

“Een monument is bestemd om een herinnering te bewaren.”

Grafmonumenten in alle vormen en maten, in de meeste gevallen vergezeld van een opschrift met informatie over de overledene, werden opgericht doorheen het hele Romeinse Rijk. Zoals blijkt uit bovenstaand citaat uit de Digesta (een verzameling geschriften van Romeinse rechtsgeleerden), waren deze monumenten bedoeld om de herinnering aan de overledene levend te houden – met succes, gezien het grote aantal grafopschriften dat tot op vandaag bewaard is gebleven. Ze gunnen ons een blik in het leven van machtige leden van de keizerlijke familie, rijke senatoren en generaals, hardwerkende handelaars en middenstanders, jong gestorven kinderen, troetelslaven en zelfs huisdieren. Maar speelden nog andere motieven een rol bij het oprichten van grafmonumenten, afgezien van de wens de nagedachtenis van de overledene te laten vereeuwigen in steen? Geen betere gelegenheid dan Allerzielen om dieper in te gaan op deze vraag en Romeinse grafopschriften onder de loep te nemen.

Levend in steen

Gezien het belang dat de Romeinen hechtten aan het voortleven van de herinnering (memoria) aan de overledene, werden grafmonumenten opgericht op goed zichtbare en druk bezochte plaatsen – weliswaar buiten de stad, want het was verboden om overledenen te begraven binnen de stadsmuren. Necropolen bevonden zich daarom bij de stadspoorten en langs toegangswegen. Het bekendste voorbeeld is de Via Appia, de “koningin der wegen”, die vanuit de hoofdstad Rome naar Brindisi in Zuid-Italië leidde en waarlangs nog restanten van talloze indrukwekkende graftombes te vinden zijn. De zoektocht naar een geschikte locatie was echter geen sinecure, zoals blijkt uit de correspondentie (een brief naar zijn goede vriend Atticus) van Marcus Tullius Cicero, de bekende redenaar, die na de dood van zijn geliefde dochter Tullia in 45 voor Christus een schrijn voor haar wilde laten oprichten en daarvoor kosten noch moeite spaarde (Att. 12-13). Necropolen waren dus allerminst doodse en verlaten plaatsen, zeker niet omdat de Romeinen geloofden dat de geest van de overledene voortleefde in zijn graf. Na de begrafenis werd bij het graf een banket ter ere van de overledene gehouden (het silicernium), en familieleden en vrienden brachten daarnaast ook op vaste tijdstippen (bijvoorbeeld op de verjaardag van de overledene) een bezoek aan het graf, waarbij ze eten en drank achterlieten. Op feestdagen werden ook ter plaatse banketten voorzien, mogelijk in aanwezigheid van de overledene, wat zou verklaren waarom vele overledenen liggend op een aanligbed aan een banket (‘Totenmahl‘) werden afgebeeld.

CIL XIII, 08818

Totenmahl, CIL XIII, 08818 © Corpus Inscriptionum Latinarum – BBAW

“Voorbijganger, hier ben ik!”

Maar niet alleen aan de locatie, ook aan het monument zelf werd veel zorg besteed, want publieke erkenning speelde een belangrijke rol in het voortbestaan van de herinnering aan de overledene. Grafmonumenten wedijverden daarom met elkaar om de aandacht van voorbijgangers te trekken, met soms zeer imposante bouwsels tot gevolg, zoals de piramide van Cestius, een belangrijke magistraat die gefascineerd was door Egypte en daarom in zijn testament liet opnemen dat na zijn dood een grafmonument in de vorm van een piramide moest worden gebouwd in de buurt van Rome. Volgens een inscriptie duurde de bouw 330 dagen en werd het werk, zoals opgedragen bij testament, uitgevoerd door zijn erfgenamen en zijn vrijgemaakte slaaf (Corpus Inscriptionum Latinarum CIL VI 1374). Niet iedereen beschikte natuurlijk over dezelfde middelen, maar er waren talloze andere manieren om voorbijgangers te lokken, zoals de aanwezigheid van stenen banken (onder meer aangetroffen in Pompeï) en opschriften gericht aan voorbijgangers, hen vragend stil te staan en het leven van de overledene te gedenken, want “wat wij zijn zult u ook zijn, en wij waren ooit wat u nu bent” (CLE 799, 1ste eeuw voor Christus).

Het graf als statussymbool

Het belang van grafmonumenten ging echter nog dieper dan enkel het verlangen om het leven – en met name de verdiensten – van de overledene te laten vastleggen voor latere generaties, want het streven naar het verkrijgen, en vooral ook behouden, van publieke erkenning en sociaal aanzien kenmerkte in toenemende mate de Romeinse samenleving vanaf de late Republiek. Monumenten werden daarom soms al bij leven opgericht (vivus fecit), en erfgenamen werd bij testament opgedragen om een graf en monument te voorzien dat de status en rijkdom van de overledene weerspiegelde. Deze instructies konden zeer gedetaileerd zijn: in PetroniusSatyricon, een politieke satire daterend uit de eerste eeuw na Christus, wordt de draak gestoken met de rijke Trimalchio, een voormalige slaaf, die tijdens een feestmaal (en na de nodige glazen wijn) een kopie van zijn testament bovenhaalt en laat voorlezen hoe zijn monument er moet uitzien, inclusief schepen met volle zeilen, hemzelf, zittend op een podium, terwijl hij munten rondstrooit, zijn vrouw Fortunata, afgebeeld met een duif in de hand en een hondje aan de riem, zijn troetelslaaf, grote amforen en een zonnewijzer (71). Het komt dan ook als geen verrassing dat vooral sociale nieuwkomers zoals ridders en vrijgelaten slaven sterk vertegenwoordigd zijn in grafopschriften. Maar grafmonumenten werden niet alleen als sociale vehikels gebruikt door de overledene: ook hun erfgenamen maakten dankbaar gebruik van de publieke zichtbaarheid die grafmonumenten boden, want in opschriften vinden we niet alleen informatie over de overledene, maar ook over de oprichter. Op sommige monumenten wordt de oprichter zelfs eerst vermeld, gevolgd door een overzicht van zijn eigen illustere carrière.

Voor de allerliefste…

Ondanks het feit dat de meeste grafopschriften behoorlijk gestandaardiseerd opgesteld waren, beginnend met de aanroeping van de geest van de overledene, gevolgd door diens naam, beroep, carrièrehoogtepunten en leeftijd, en eindigend met informatie over het graf of de oprichter, zijn er ook enkele bijzonder ontroerende opschriften overgeleverd, waaruit duidelijk de smart en rouw van de nabestaanden blijkt. Het meest gekende voorbeeld is de Laudatio Turiae, een deels bewaard epigram van een echtgenoot voor zijn geliefde overleden vrouw, waarin haar moed en haar toewijding geprezen wordt. Daarnaast bestonden ook opschriften die eerder filosofisch van aard waren, zoals blijkt uit enkele regels uit het opschrift van Tiberius Claudius Secundus uit Pompeï: “De baden, de wijn en de liefde richten ons lichaam te gronde, maar de baden, de wijn en de liefde maken ook het leven” (CIL VI 15258). En opschriften waren ook niet verstoken van humor, zoals blijkt uit volgende dialoog op de grafsteen van een herbergier genaamd “Meneer Erotiek”, gevonden nabij Pompeï. Het bijhorende reliëf toont een reiziger met een muilezel aan de hand, die afrekent bij een herbergier, vermoedelijk Eroticus:

CIL IX 2689

CIL IX 2689 © Corpus Inscriptionum Latinarum – BBAW

“Lucius Calidius Eroticus heeft bij leven voor zichzelf en zijn vrouw Fannia Voluptas [deze steen] gemaakt. “Herbergier, laten we afrekenen: je hebt wijn: 1/6 as (ongeveer 0,5 liter); brood: 1 as, maaltijd: 2 as.” “Dat klopt.” “Een meisje: 8 as.” “Dat klopt ook.” “Hooi voor de muilezel: 2 as.” “Die muilezel zal me nog eens te gronde richten!” (CIL IX 2689).

Dit was uiteraard slechts een kleine greep uit het overweldigende aanbod van grafopschriften, maar voor wie graag zelf op ontdekking gaat in de wereld van de Romeinse epigrafie, voorzien we onderstaande mini-gids. Vale viator! Maar grafschenners, let op: “opto ei cum dolore corporis longo tempore vivat et cum mortuus fuerit, inferi eum non recipiant”… (“ik wens hem (= de grafschender) een door pijn verscheurd lichaam zolang hij leeft en wanneer hij dood zal zijn dat de goden van de onderwereld hem niet ontvangen”).

[Meest gebruikelijke afkortingen]

 DM  Dis Manibus  aan de goden van de onderwereld
 F  filius of filia  zoon of dochter
 VIX  vixit  heeft geleefd
 ANN  annis of annos  jaren
 FC  faciendum curavit  hij heeft (deze steen) laten maken
 H  heres  erfgenaam
 HFC  heres faciendum curavit  de erfgenaam heeft (deze steen) laten maken
 EX T  ex testamento  bij testament
 DSP  de sua pecunia  uit eigen zak
 V F  vivus fecit  hij heeft bij leven (deze steen) laten maken
 HSE  hic situs est  hier ligt de overledene
 BM  bene merenti  welverdiend

Selecte bibliografie

H. Devijver, ‘Een sociogram van Tacitus’ en Plinius’ maatschappij’, in Kleio 14 (1984), p. 101-126.

V. Hunink, Levend in steen. Romeinse grafinscripties, Budel, 2007.

J. de Jong, ‘Maatregelen tegen memoria. Belang en betekenis van herinnering en herinneringsstraffen in de Romeinse vroege Keizertijd’, in Groniek 203 (2014), p. 129-146.

G. Woolf, ‘Monumental Writing and the Expansion of Roman Society in the Early Empire’, in Journal of Roman Studies 86 (1996), p. 22-39.

Coverfoto: adaptatie van de foto ‘Sarcophagus, marble, mourning for child’ van Zde op Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

Het bericht “U die voorbijgaat… denk aan ons”: Romeinse grafopschriften onder de loep van Sofie Waebens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2017/u-die-voorbijgaat-denk-aan-ons-romeinse-grafopschriften-onder-de-loep/feed/ 1 334